100 Thematische kaarten

Met de collectie 100 Thematische kaarten wordt de ontwikkeling van de thematische kartografie getoond aan de hand van Nederlandse voorbeelden. Het grootste deel van de voorbeelden stamt uit de kaartencollectie van de Utrechtse universiteitsbibliotheek, maar het is geen zuiver Utrechtse aangelegenheid: voor een aantal topstukken is een beroep gedaan op andere Nederlandse collecties zodat het een nationale onderneming is geworden.

Meer over deze digitale tentoonstelling

Items voor deze tentoonstelling

Het bijzondere van deze kaart van het Spaarne is de weergegeven stippellijn in het water, die een diepte aangeeft van zeven voet. Het is daarmee de eerste kaart ter wereld, waarop isolijnen (lijnen die punten met een gelijke waarde met elkaar verbinden) staan aangegeven, De schaal is circa 1:17.000. Het is een met waterverf ingekleurde pentekening op perkament, waarop deze dieptelijn van bijna twee meter als het ware de vaargeul voor dieper gelegen schepen begrenst. Volgens professor J.E. Romein heeft Bruinsz. in de volgende editie van deze kaart de dieptelijn weggelaten en vervangen door 44 dwarsraaien met dieptecijfers. Tegenwoordig worden er ...
Lees verder
Dit is de eerste kaart ter wereld, waarop hoogtecijfers zijn aangegeven. D. de Vries merkt hierover op: ‘Uniek is deze kaart voor wat betreft het zeer vroege gebruik van getallen om de hoogte aan te duiden, in de legenda aldus verklaard: ‘Les chifres Enfermes dens des petit ronds parmy cest carte monstre la hauteur ou elle sont dessus la maree haute en temps calme. De cijfertjes in de kleine cirkels geven dus de hoogte boven het normale vloedpeil aan. De terreinverschillen zijn in vier gradaties aangegeven: bij vloed overstroomd, permanent geïnundeerd, moerassig en hoog’. Belegering was in de Nederlanden vaak ...
Lees verder
Deze kaart behoort tot een set Maaskaarten, die in 1697 door Pieter Ancelin is geproduceerd. Deze set vertegenwoordigt de oudst bekende kaarten met een stelsel van dieptelijnen. Al vanaf 1560 worden dieptecijfers systematisch toegepast op zeekaarten en rivierkaarten; vanaf 1584 (zie de kaart van Pieter Bruinsz. in deze collectie van gedigitaliseerde kaarten) probeert men het verloop van de diepten beter te visualiseren door isolijnen toe te passen. Aangezien tussen de kaart van Bruinsz. uit 1584 en die van Ancelin uit 1697 geen andere kaarten met dieptelijnen gevonden zijn, kan men stellen dat Ancelin deze methode feitelijk opnieuw heeft uitgevonden. In ...
Lees verder
De rivier de Merwede vormde lange tijd één van de grootste probleemgebieden in het Nederlandse rivierenstelsel. Vooral na de Sint-Elisabethsvloed in 1421 – toen de Biesbosch de gelegenheid kreeg om geleidelijk te ontstaan – werd de waterstaatkundige situatie precair. Langs de onbedijkte zuidelijke oever van de Merwede lag de noordgrens van de uitgestrekte Biesbosch. Dit gebied bestond uit vele waterlopen, zogeheten killen, die het overgrote deel van het Merwede-water via het Hollands Diep naar de Noordzee afvoerden. De Merwede zelf kreeg echter steeds minder water te verstouwen, waardoor het problematisch werd om de rivier op diepte te houden. Voor de ...
Lees verder
Eerste gedrukte zeekaart met een systeem van dieptelijnen: 11 -, 19 - en 28 voet dieptelijn. Koeman noemt deze kaart in zijn ‘Geschiedenis van de kartografie van Nederland’ (Alphen aan de Rijn 1983, p. 222) de eerste moderne Nederlandse zeekaart vanwege de meetkundige grondslag op de vaste wal, en het systeem van dieptelijnen, van 11 -, 19 - en 28 voet beneden laag water. Rijk omschrijft dat nog uitgebreid in de rand van de kaart, omdat men niet aan die dieptelijnen gewend was, bijvoorbeeld, voor de 28 voet dieptelijn: ‘alle die plaatsen waarop met gewoon laag water minder als 28 ...
Lees verder
Deze atlas bestaat in feite uit tien exemplaren van een kaart van de Nederlanden in twee bladen, op de schaal 1:830.000, met elke keer andere toegevoegde thematische gegevens. De thematische inhoud bestaat uit gebiedsindelingen, die met kleurde biezen worden aangegeven. Dat gebeurde nog met de hand (het was nog voor de introductie van de lithografie in Nederland). Statistische informatie was in die periode nog niet beschikbaar om te karteren.Voor elk van de tien gebiedsindelingskaarten werd een eigen legenda – gedrukt op een strookje papier en eveneens met de hand ingekleurd – op de betreffende kaart geplakt. De Bouge was chef-kartograaf ...
Lees verder
Het gaat hier om een polythematische kaart, wat inhoudt dat er verschillende thema’s tegelijk zijn afgebeeld. Over het algemeen leidt dat niet tot goed leesbare kaarten en dat is ook hier het geval. In de legenda kan men zien dat zowel de bodemgesteldheid, de morfologie als de voorkomende delfstoffen (mineralogie) worden aangegeven, in combinatie met de gebruikelijke inhoud van topografische kaarten, zoals plaatsen in verschillende groottes met verschillende administratieve, religieuze, militaire en juridische functies, wegen en waterwegen. Als men er de moeite voor wil nemen kan men geweldig veel informatie aflezen uit de kaart, maar dat wordt belemmerd door de ...
Lees verder
Deze bijzondere sterrenkaart werd ontworpen door de Duits-Nederlandse kosmograaf Andreas Cellarius (circa 1596-1665), die vanaf 1637 rector was van de Latijnse School in Hoorn. Zijn ‘Harmonia Macrocosmica’ (waarin naast deze kaart nog 28 andere kosmografische voorstellingen zijn opgenomen) verscheen in 1660 bij de Amsterdamse uitgever Johannes Janssonius en wordt algemeen beschouwd als de fraaiste hemelatlas die in de 17de eeuw werd gedrukt. De kaart toont de zuidelijke sterrenhemel getekend op een doorzichtige hemelsfeer met de aarde in het centrum. Op de aardbol zijn de zuidelijke delen van Afrika en Zuid-Amerika te onderscheiden met het toen nog onbekende ‘Zuidland’ (Terra Australis Incognita). Op ...
Lees verder
Het betreft hier de eerste choropleetkaart, die in de Nederlanden vervaardigd is, en wel in Brussel in of kort na 1827. Thema is het analfabetisme, al is het moeilijk dat direct uit de titel of de legenda af te lezen. Gebaseerd op de aantallen schoolgaande kinderen per provincie, geïnventariseeerd voor de minister van Binnenlandse Zaken, geven de getallen per provincie aan op hoeveel inwoners één schoolgaand kind voorkomt. Het gunstigste cijfer komt dan voor in Drenthe, waar één schoolkind voorkomt op 6,45 inwoners, het ongunstigste in West-Vlaanderen, waar bijna driemaal zoveel inwoners nodig zijn (meer dan zeventien). De kaart is ...
Lees verder
Bij Koninklijk Besluit van 20 Maart 1825 werd opdracht gegeven tot de vervaardiging van een mineralogische kaart van het gebied ten zuiden van Gent en ten oosten van Kortrijk op een schaal 1:100.000. Het werd tenslotte de uitgaveschaal 1:200.000, maar de kaart komt inderdaad gereed in de geplande periode van vijf jaar. Omdat in het zuidelijk deel van het koninkrijk opstand uitbreekt nemen de opnemers – de kolonel J.E. van Gorkum (officier van de Militaire Verkenningen) en de geoloog professor J.G.S. van Breda, hoogleraar aan de Hogeschool van Gent – het materiaal mee naar Leiden, waar de kaart tussen 1833 ...
Lees verder
Op deze kaart wordt de verspreiding van de grondsoorten aangegeven. De kleuren zijn met de hand aan de kaart toegevoegd, en het bijzondere is dat ze geleidelijk in elkaar overgaan, in plaats van bij een contour van de ene bodemsoort direct in een andere over te gaan. Dat is ook meer in overeenstemming met de werkelijkheid. De terminologie lijkt deels ingegeven door de eisen van de wetenschappelijke landbouw (waar er van Diluvium en Alluvium wordt gesproken). Verder lijkt de inhoud aangepast aan de eisen van de waterstaat (de commissie van onderwijs uit de titelopgave heeft door tussenkomst van schoolopzieners door ...
Lees verder
De basis voor een systematische geologische ontsluiting van Nederland is gelegd door Winand Carel Hugo Staring. Op deze kaart met de bijgegeven 'Verklaring der kleuren en tekens' gaf Staring de eerste wetenschappelijke uiteenzetting van het ontstaan van de bodem van Nederland, waarbij hij de ontwikkeling door sedimentatieprocessen verklaart. Ook deze kaart is nog met de hand ingekleurd. De terminologie bij Staring is later in Nederland verdrongen door internationaal gangbare begrippen; waar hij over ‘vloedvorming’ spreekt, hebben we het thans over Pleistoceen; in plaats van ‘hedendaagsche vormingen’ spreken we van Holoceen, en zijn ‘Tweede en derde tijdvak’ noemen we nu Secundair ...
Lees verder
Deel 1 van deze eerste beschrijving van de geologie van Nederland bevat een kaart van de verspreiding van de venen, deel 2 bevat een geologische kaart van Limburg en een geologische kaart van Nederland op de schaal 1:1,5 miljoen. Deze laatste kaart heet officieel ‘Overzicht van de diluviale gronden in Nederland’, maar geeft een overzicht van de verspreiding van de geologische formaties uit alle periodes en is dus vergelijkbaar met de zestien jaar eerder door hem vervaardigde geologische kaart uit 1844 (ook in de collectie gedigitaliseerde kaarten). Vergelijkt men de beide kaarten dan zien we dat de naamgeving is aangepast ...
Lees verder
In 1852 nam minister Thorbecke een post van ƒ 10.000,- op in zijn begroting voor de vervaardiging van een geologische kaart van Nederland. Hiervoor riep hij tevens een commissie in het leven, onder leiding van professor Van Breda. Doordat men het niet eens kon worden over de uitvoering werd op een gegeven moment aan Staring overgelaten de werkzaamheden uit te voeren. In 1858 drukte de Topografische Dienst de eerste bladen, en in 1860 had Staring alle 28 bladen in manuscript voltooid; de laatste kwamen in 1867 van de (steendruk)pers. De ondergrond van deze kaartserie werd gevormd door de speciaal hiervoor ...
Lees verder
Deze kaart bevat nog niet meer dan de postroutes en de verversingsplaatsen, te gebruiken wanneer men vanuit Parijs of Straatsburg een plaats in het Koninkrijk der Nederlanden wilde bereiken dan wel Hamburg. Afstanden zijn op deze postkaart niet aangegeven, noch het typisch Nederlandse fenomeen van de trekschuiten, die op de postkoetsen aansloten. Interessant is de grens tussen ‘Hollande’in het noorden en de ‘Pays-Bas’in het zuiden. Qua spelling had de Franse producent nog wat problemen met het Nederlands, zie bijvoorbeeld de spelling van de plaatsnamen ‘Cassandria’ (Cadzand), ‘Williamstadt’ (Willemstad), ‘Racmsdolick’ (Raamsdonk), ‘Camperdown’ (Kamperduin). Waarschijnlijk heeft hij een Engels voorbeeld gebruikt. Dat ...
Lees verder
De verbetering van het wegennet, de aanleg van spoorwegen en van de telegraaf bevorderden de publicatie van talrijke infrastructuurkaarten. Zo ontstonden postkaarten, wegenkaarten, reiskaarten, spoorweg- en tramkaarten. Een voorbeeld van dit genre vormt deze spoorwegkaart. Op de bijbehorende 'Aanwijzing der Teekens' wordt onder andere onderscheid gemaakt tussen bestaande spoorwegen, spoorwegen die in aanbouw zijn, of spoorwegen die in overweging zijn genomen. Daarnaast zijn de verschillende maatschappijen die opereerden met kleuren onderscheiden. De belangrijkste barrières voor het verkeer in Nederland, de grote rivieren, staan natuurlijk aangegeven, maar ook de wegen der eerste en tweede klasse, zodat men het verkeersaanbod op de stations ...
Lees verder
Voor het eerst werd op deze kaart voor het gehele land de verharding van de wegen als informatie gebracht, zij het dat dat heel moeilijk op de kaart te onderscheiden is. Er wordt met de lijnsignaturen namelijk verschil gemaakt tussen twaalf wegencategorieën: ‘Groote wegen met vaart en tol’, ‘Bestraatte binnenwegen’, ‘Kunstmatige zand- of grindwegen’, ‘Schulpwegen’, ‘Puinwegen’, ‘Mac-Adamwegen’, ‘IJzeren spoorwegen’, ‘Natuurlijke zand- en aardwegen’ en ‘Kleiwegen’ (een macadam-weg, genoemd naar de uitvinder Mac Adam, heeft een verharding die bestaat uit fijn graniet of basalt). De ondergrond wordt gevormd door een verkleining van de topografische kaart van Krayenhoff, op de schaal 1:115.200 ...
Lees verder
Hoewel hij thans ook vooral de functie heeft van werkkaart ter verbetering van een verkeersweg voor de scheepvaart, was de reden van de productie van de ‘Rivierkaartserie van Nederland’ een andere: de frequente overstromingen. Om die tegen te gaan werd vanaf 1829 op grote schalen (1:5.000, 1:10.000) de loop van de grote rivieren gekarteerd. Voor de eerste editie, naar zijn voornaamste bewerker de ‘Goudriaankaart’ genoemd, kwamen alle metingen en berekeningen in 1855 gereed; de laatste kaarten van deze serie verschenen in 1866. De inhoud van de kaart bestond uit de begrenzing van de oevers-, zand- en slikplaten (bij de zogenaamde ...
Lees verder
Nog een typisch voorbeeld van pre-lithografische thematische kaarten, waarop de thematische informatie met de hand werd ingekleurd en daardoor pas ook werkelijk opviel. Op deze kaart (zowel west- als oostblad zijn opgenomen) zijn alle dijkdoorbraken met een rode kleur aangegeven, naast het jaartal. Alleen in de legenda is die rode kleur bij de dijkdoorbraken niet ook ingekleurd, wat natuurlijk wél had gemoeten. Tevens toegevoegd zijn gekleurde biezen die de verschillende provincies begrenzen: geel voor Gelderland, blauw voor (Noord-)Brabant, oranje voor Zuid-Holland en paars voor Utrecht. Het is ook in dìe zin een vroege thematische kaart dat er met symbolen gebeurtenissen ...
Lees verder
Halverwege de 19de eeuw bestond er behoefte aan een duidelijk en volledig overzicht van de waterstaatkundige toestand van het land. Dat hield in een overzicht van alle meren en waterlopen en van alle kunstwerken die ten behoeve van de ontwatering gebouwd waren. De potentiële gebruikers hadden daarnaast ook een overzicht nodig van statistische gegevens ontrent de waterstaatkundige eenheden: ligging, grenzen en oppervlakten van de polders en de grondwaterpeilen die in zomer en winter werden aangehouden. Daar hoorde natuurlijk ook een overzicht van de hoogteligging bij. Naast een inventarisatie van de hele waterstaatkundige infrastructuur zou deze kaartserie ook alle informatie over ...
Lees verder
Een interessante atlas in de ontwikkeling van de thematische kartografie betreffende de bevolkingsstatistiek is deze ‘Sterfte-atlas van Nederland’ (1866) van P.H. Witkamp, uitgegeven door de Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. In deze atlas, die uit een overzichtskaart, elf provinciekaarten en 44 pagina’s tekst bestaat, is met behulp van de medische statistiek de mortaliteit in kaart gebracht. Blijkbaar had men in de tweede helft van de 19de eeuw zoveel demografische gegevens verzameld, dat men dat gegeven per gemeente kon karteren. Op een ondergrond van grondsoorten (rechtsboven verklaard bij ‘Geologische teekens’) zijn per gemeente cirkelsymbolen voor het sterftecijfer ingetekend. Er werd ...
Lees verder
Kaart uit het rapport ‘Mededelingen over de besmettelijke ziekten in de Gemeente Utrecht’, opgesteld door J.D. van der Plaats en J.L. Hoorweg namens de gemeentelijke gezondheidscommissie in 1888. Het is één van de eerste kaarten, waarop een afwijking van het gemiddelde wordt aangegeven. Men kon uitrekenen, op basis van het totaal aantal ziektegevallen en het totale inwonertal van de stad, wat het gemiddelde aandeel van de bevolking was dat roodvonk kreeg (uitgedrukt per 1.000 inwoners). Door het promillage per buurt nu te vergelijken met het gemiddelde kon men vaststellen of men onder of boven dat gemiddelde zat; dat geeft de ...
Lees verder
Voor een aantal Nederlandse steden is in de loop van de periode 1800-1960 ook in beeld gebracht wat het spreidingspatroon van de slachtoffers van epidemieën was: voor de stad Utrecht bestaat bijvoorbeeld een ‘Kaart van de roodvonkepidemie van 1 januari 1865-1 april 1867’ en voor Nederland een kaart van de sterftegevallen aan tuberculose in de jaren 1901-1908. Deze kaart, in het Frans getiteld ‘Tableau graphique du décès causé par tuberculose dans chaque commune des Pays-Bas dans la période 1901-1908’ is in kleur gedrukt door de firma M. van Ravenstijn in Den Haag, gezien de Franse tekst waarschijnlijk voor een wetenschappelijk ...
Lees verder
De ‘Schoolkaart voor de natuurkunde en de volksvlijt van Nederland’ (men zou nu zeggen : een fysisch-economische kaart) was door Winand Carel Hugo Staring ontworpen op verzoek van de afdeling Utrecht van het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap en uitgegeven door A.C. Kruseman in Haarlem. De kaart bestond uit vijftien bladen op een schaal 1: 200.000. Op de hoofdkaart past hij vlaktinten toe om de grondsoorten aan te geven (dus de fysische informatie); de gronden uit het ‘Vierde tijdvak’ (Kwartair) deelt hij in in ‘Hedendaagsche gronden, nog aanhoudend ontstaande’ en ‘Gronden der voorwereld, uit de tijden der mammouthen’, vele duizenden jaren geleden. ...
Lees verder
De aardrijkskundeleraar Johan Kuyper heeft voor publicatie van zijn eerste thematische kaarten van het land een buitenlands medium gezocht: het gerenommeerde tijdschrift ‘Petermanns geographische Mitteilungen’ dat in Gotha bij uitgeverij Justus Perthes, bekend van de ‘Stieler’s Handatlas’, verscheen. Samen vormen ze, ondanks de eenvoudige middelen, een voor die tijd ongekend compleet beeld van de Nederlandse economie. Hij past hierbij bijna overal de methode van de choropleet toe (alleen niet bij de administratieve indeling, kaart 1) en het geologische overzichtskaartje (kaart 5), op sommige plaatsen aangevuld met een begin van de proportionele methode: kleine en grote fabriekssteden of handelsplaatsen zijn onderscheiden ...
Lees verder
Starings 'Schoolkaart voor de natuurkunde en de volksvlijt' oefende een grote invloed uit, in het bijzonder op schoolatlassen. Met name geldt dit voor de 'Natuur- en staathuishoudkundige atlas van Nederland' (Leiden 1863), van de hand van J. Kuyper, die we de eerste statistisch-thematische atlas van Nederland kunnen noemen. Kuyper laat voor het eerst van zich horen in 1857 met een serie choropleten van Nederland in het tijdschrift 'Petermann's geographische Mitteilungen' (eveneens in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten). In de atlas van 1863 brengt hij in vijftien kaarten bodem, bevolking, middelen van bestaan, infrastructuur en 'culturele' zaken van het land in ...
Lees verder
Mees is evenals Kuyper een pionier van de thematische kartografie in het midden van de 19de eeuw. In zijn 'Historische Atlas van Nederland' (1865) zijn enkele thematische kaarten opgenomen, die weinig met de historie te maken hebbben, maar wel met de infrastructuur en met de bevolking ten tijde van de uitgave van de atlas: een inzet-kaartje op blad 13 laat bijv. de 'betrekkelijke digtheid der provinciale bevolking door schaduwen' zien, door de choropleetmethode dus. De provinciale bevolkingscijfers hebben betrekking op 1 januari 1859. Belangrijker dan deze choropleet is Mees vanwege de inleiding tot zijn atlas met 28 pagina's over de ...
Lees verder
In 1869 publiceerde Staring zijn grote ‘Landbouwkaart van Nederland’ (1:200.000) welke datzelfde jaar in Londen op de Wereldtentoonstelling een prijs won. In de bijgegeven legenda worden 'De Nederlandsche landbouwstelsels' (veehouderij, akkerbouw op het zand, akkerbouw op klei, bijzondere teelten, houtteelt, woeste gronden) gespecificeerd door middel van kleuren en een combinatie van letters en cijfers. De scherpe grenzen (veel gedetailleerder dan op Starings wandkaart van 1860) tussen de verschillende stelsels konden aan de hand van de grondgebruikinformatie van de net gereedgekomen topografische kaart 1:200 000 worden ingetekend. Blijkbaar was Staring er achter gekomen dat de met arceringen aangegeven informatie over de landbouwstelsels ...
Lees verder
Met een militaire achtergrond, waar hij bij inundatiewerken betrokken was geweest en al beroemd vanwege zijn boek 'Nederland als polderland' (1884), was de leraar A.A. Beekman bij uitstek iemand, die op de hoogte was van de waterstaatkundige toestand van ons land en van de topografische kartering. Hij zal goed op de hoogte zijn geweest van de resultaten van de kartering van de 'Waterstaatskaart' (zie elders in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten) en van de nauwkeurigheidswaterpassing die daarvoor noodzakelijk werd geacht, om op alle bladen van die kaartserie betrouwbare hoogtecijfers op te kunnen nemen. Hij heeft als eerste de resultaten van ...
Lees verder
Na de korte bloeiperiode in de thematische kartografie ten tijde van Kuyper, Mees, en Staring rond 1860, duurde het tot rond 1910 voordat er weer iets nieuws op stapel werd gezet. Dat was dan de ‘Historisch-Economische Atlas’ van J.C.A. Everwijn, die in 1912 in Den Haag verscheen. Een opvallend kenmerk van deze atlas, waarvan de kaarten ontworpen zijn door H. Blink, de latere hoogleraar economische geografie in Rotterdam, is de vergelijkende methode, gehanteerd om er processen mee aan te kunnen geven. Dat is dus een nieuwe vorm van kaartvergelijking in de tijd, naast de vergelijking van twee verschillende thema’s opgenomen ...
Lees verder
Onttrokken aan het oog van geïnteresseerde leken worden op of voor ministeries wel intern thematische atlassen geproduceerd om de voedselvoorziening in tijden van crisis te kunnen plannen. Dat geldt zeker voor deze landbouwatlas, die gebaseerd is op een inventarisatie van 1939. 'Niet voor publicatie bestemd' staat hier op de kaft geplakt. Om een overzicht te hebben van het gebruik van de beschikbare landbouwgrond is met de stippenkaartmethode de spreiding van elk akkerbouwgewas, van de veestapel en van de tuinbouw gevisualiseerd. Er zijn aparte kaarten voor de verspreiding van de productie van tarwe, rogge, gerst en haver, veldbonen, groene erwten en ...
Lees verder
Net zoals bij de 'Landbouwatlas'uit 1939 (elders in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten): onttrokken aan het oog van geïnteresseerde leken werden op ministeries tussen de Wereldoorlogen intern thematische atlassen geproduceerd om de voedselvoorziening in tijden van crisis te kunnen plannen Dat geldt zeker voor deze 'Tuinbouwatlas', samengesteld door de Tuinbouwvoorlichtingsdienst van het Ministerie van Landbouw en Visscherij, gebaseerd op een in 1940 uitgevoerde inventarisatie. Op de titelpagina is een papiertje ingeplakt, waarop staat dat de atlas niet voor publicatie bestemd is. Omdat in de oorlog import van voedsel problematisch zou zijn was het zaak de voor agrarische activiteiten beschikbare gronden ...
Lees verder
Pas in 1959 verschijnt – op het moment dat het enige statistische kaartje van Nederland in de ‘Bosatlas’ (Wolters) de bevolkingsdichtheidskaart is – de ‘Landbouwatlas van Nederland’. Die atlas zal op zowel ‘Bosatlas’ als de ‘Atlas van Nederland en de Wereld’ (Meulenhoff) grote invloed hebben en eveneens op de in 1961 van start gegane nationale of wetenschappelijke ‘Atlas van Nederland’. Deze landbouwatlas is de opvolger van de twee rond 1940 intern bij het Ministerie van Landbouw vervaardigde agrarische atlassen (zie elders in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten), maar had gezien de omstandigheden de tijd mee: de reproductietechnieken waren verbeterd, er ...
Lees verder
Van deze kaart is ook een gedrukte uitgave verschenen, gepubliceerd door Van Amand in Amsterdam in 1866 en vervaardigd op basis van dit manuscript. Wat de auteur vooral uit heeft willen laten komen is het verloop van de epidemie in de tijd (hij woedde in de twintig weken van 1 juni tot en met 18 oktober 1866). Daartoe bevat elke buurt een rozetje dat in twintig partjes is opgedeeld. De weken, waarin in die buurt slachtoffers vielen, zijn ingekleurd volgens een vast schema dat in het model in de verklaring rechtsonder terugkomt; bij de betreffende partjes staat dan ook met ...
Lees verder
Een thematische kaart is een kaart, waarop de verbreiding naar aard of kwantiteit van één bepaald verschijnsel is aangegeven. Die definitie past ook op kaarten van vestingwerken of militaire installaties. De koninklijk-geograaf Jacob van Deventer heeft in opdracht van koning Philips II alle steden in de Nederlanden gekarteerd. Hij kreeg daartoe de opdracht van Philips II in 1559, om ‘te visiteren, meten ende bescrijven alle de steden van onsen lande van herwersovere’. Hij vervaardigde van die steden algemene plattegronden, alle op dezelfde schaal (circa 1:8.000), maar daarnaast tekende hij van diezelfde steden ook een soort skeletkaarten waarop alleen de vestingwerken, ...
Lees verder
In het Koninkrijk der Nederlanden werd in 1816 begonnen met de kadastrale kartering, naar Frans model. Dat behelste een systematische opname, weergave en administratie van het grondeigendom, aanvankelijk vooral ten behoeve van het innen van grondbelasting, maar later ook ten behoeve van het vergroten van de rechtszekerheid inzake de eigendomsrechten op de grond. De kartering had gemeentegewijs plaats; elke gemeente werd opgedeeld in een aantal secties die afhankelijk van de aard van het gebied (stedelijk/landelijk/woeste grond) op een schaal 1:1.250, 2.500 of 5.000 werden gekarteerd. Het overzicht met de indeling van de gemeente in secties noemt men een kadastrale verzamelkaart. ...
Lees verder
In 1811 verscheen in Parijs het ‘Receuil méthodique des lois, decrets, réglements, instructions et dédicions sur le cadastre de la France’, een overzicht van de manier waarop het grondeigendom moest worden opgemeten en geadministreerd. Omdat Nederland toen tot het Franse Rijk hoorde, werd het kadaster ook hier ingevoerd. Een Nederlandse vertaling van het bovengenoemde handboek werd al in 1812 uitgebracht. Door de staatkundige gebeurtenissen werd de kadastrale kartering echter pas effectief ingevoerd in 1816 en de uitvoering, schatting der oppervlakten en administratieve verwerking ervan in leggers was in 1831 gereed; voor Limburg, dat als deel van het Duitse Rijk een ...
Lees verder
Vanaf het midden van de 16e eeuw gingen grootgrondbezitters, zowel particulieren als instituties, ertoe over hun grondbezit door landmeters in kaart te brengen. Deze kaarten worden prekadastrale kaarten genoemd. Dit voorbeeld laat enkele percelen bij Vleuten zien die in het bezit waren van het Kapittel van Sint Jan te Utrecht. Deze kaart uit 1599 is vervaardigd door Jan Rutgersz. van den Berch en is afkomstig uit een omvangrijk kaartboek waaraan diverse landmeters tot in de 18e eeuw hebben bijgedragen. Prekadastrale kaarten zijn doorgaans rijk aan topografische details. Dit maakt ze tot een waardevolle onderzoeksbron voor regionaal-historisch onderzoek, met name in ...
Lees verder
Manuscriptkaart van een deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het is deels een grondgebruikskaart, deels een planologische kaart: de verboden kringen zijn aangegeven waar de bebouwing aan beperkingen onderworpen was (er mochten bijvoorbeeld geen stenen gebouwen worden geplaatst) binnen een bepaalde afstand van de batterijen in de forten. Behalve die forten (Fort De Bilt, Fort Het Vossegat, Fort Rijnauwen en de Lunetten op de Houtense Vlakte) zijn de batterijen rood en het te inunderen gebied lichtblauw aangegeven. Bos, dat immers ook een belemmering was voor geschut en een mogelijke bescherming bood voor de vijand, is ook opvallend ingekleurd. De kaart ...
Lees verder
Deze planologische kaart is de fraaiste ooit in Nederland vervaardigd. Volgens de Woningwet van 1901 moesten gemeenten uitbreidingsplannen vervaardigen. In 1917 gaf de gemeente Utrecht aan de architect H.P. Berlage en de directeur van gemeentewerken L.N. Holsboer de opdracht een nieuw uitbreidingsplan samen te stellen. Dat kwam in 1920 gereed en bleek in belangrijke mate door nieuwe verkeersmiddelen bepaald: wegen en een vliegveld en industriehavens. Er was een ringweg getekend rond de geplande bebouwing en om doorgaand verkeer door de stad tegen te gaan was er daarbuiten nog een tweede ringweg gepland. Richting Uithof was een vliegveld opgenomen, en de ...
Lees verder
Dit is een isolijnenkaart, waarop punten van gelijke hoogte met elkaar verbonden zijn. De hoogtemeting is in het jaar 1897 verricht door de stadslandmeter M.P. Schellekens; zijn kaart was in het ongerede geraakt, maar de waarnemingen waren behouden en die vormden de basis voor de nieuwe kaart: de hoogtelijnen zijn in 1931 ingetekend op een gedrukte plattegrond van de gemeente Utrecht op de schaal 1:5.000 door A. van der Zweep, de kartografisch tekenaar van het toenmalige Geografisch Instituut. Om het verloop van de hoogtelijnen te verduidelijken is de ruimte ertussen met verschillende tinten ingevuld. De hoogtelijneninterval bedraagt 25 centimeter, het ...
Lees verder
Tussen de verschillende kaarten, die de ontwikkeling van de infrastructuur tonen, past ook deze bijzondere kaart die aangeeft hoe postpakketten en brieven op een bepaalde bestemming terecht moesten komen. De lijnen tonen routes van postritten, routes van postbodes, diligences dan wel stoomboten of schuiten met postpakketten belast en spoorwegen; het briefsymbooltje staat voor postkantoren en er is een hiërarchie van hulpkantoren, wisselplaatsen, bestelhuizen en brievenbussen. Het nieuwe medium van de telegraaf duikt ook al op rechtsonder op de kaart is een overzicht van de telegraafkantoren te zien. Opvallend is het verschil in dichtheid van de postroutes tussen de zandgronden en ...
Lees verder
Van af 1837 produceerden geologen kaarten van de bovenste aardlagen van Nederland, met behulp van een lithologische (gesteentekundige) legenda met beschrijvingen die ons bekend voorkomen: zand-, klei- en veenbodems. Enkele door Staring vervaardigde kaarten, die elders in deze collectie gedigitaliseerde kaarten voorkomen, zijn daar voorbeelden van. In 1945 werd de Stichting voor Bodemkartering (Stiboka) opgericht in Wageningen en die vervaardigde tot 1965 een bodemkaart van Nederland op schaal 1:200.000, gebaseerd op zowel de lithologische eenheden van Staring als de specifieke omstandigheden bij de bodemvorming, beïnvloed door het moedermateriaal, de geomorfologie, vegetatie en grondgebruik. Daarna ging men over op een systeem ...
Lees verder
Na de geologische kaart van Staring 1:200.000 (zie elders in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten) (1858-1867) ontstond er behoefte aan een meer gedetailleerd overzicht van de geologische formaties, met meer begrip voor de oorsprong van de kwartaire lagen, met name bij de Rijksdienst voor de Opsporing van Delfstoffen (R.O.v.D.). Dat resulteerde in de periode 1927-1938 in de productie van een ‘Geologische kaart van Nederland’ op de schaal 1:50.000, vervaardigd onder leiding van P. Tesch, directeur van de R.O.v.D. Na de oorlog begon in 1956 een nieuwe opname van de ‘Geologische kaart van Nederland’ 1:50.000 door de Geologische Stichting, later getransformeerd ...
Lees verder
Eveneens op de basis van de ‘Topografische kaart 1:50.000’ gaven de Rijksgeologische Dienst en de Stichting voor Bodemkartering in de periode 1975-1990 samen de ‘Geomorfologische kaart van Nederland’ uit, waarop in eerste instantie de terreinvormen (aan de hand van symbolen) en de oorzaak van het ontstaan van die vormen (de morfogenese) is aangegeven, dat laatste aan de hand van kleuren. De terreinvormen worden nog gedifferentieerd op basis van hun reliëf, hetgeen tot een complexe legenda leidt. Het meest dominante aspect van de legenda wordt gevormd door de vlakkleuren:door de werking van de wind ontstane vormen hebben een gele kleur, veenvorming leidt ...
Lees verder
Deze kaart van Pieter van den Keere, die teruggaat op een kaart van Ortelius, poogt een reconstructie te geven van de Nederlanden in de Romeinse tijd. De kaart lijkt vooral bedoeld om de in Romeinse geschriften vermelde plaatsnamen en stammen op hun juiste locatie te kunnen plaatsen; waar verschillende naamversies voorkomen, zoals bij de Noordzee, zijn ze alle genoemd, met de auteurs die die naamversies gebruikten: Ptolemeus gebruikte de naam ‘Oceanus Germanicus’, Plinius de naam ‘Oceanus Septemtrional’ of ‘Oceanus Britannicus’. De door de Romeinen gegraven waterwegen (‘Fossa Corbulonis’) zijn ingetekend. Het schrift speelt hier een belangrijke rol; aan het schrifttype kan ...
Lees verder
In 1960 is de glorietijd van de ‘Rivierkaart’ voorbij, althans waar het de reproductie in kleur door middel van de lithografie betreft (zie de ‘Rivierkaart’ van de IJssel uit de oudste serie, elders in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten); alleen het oppervlaktewater heeft nog een blauwe tint. Dat wil niet zeggen dat de kaart minder effectief is; de relatie tussen de rivier en de kunstwerken, zoals dijken en kribben komt op deze kaart uit de derde respectievelijk vierde uitgave van de ‘Rivierkaart’ zeker zo goed uit. Bij de eerste herziening van de ‘Rivierkaart’, die in 1871 begint en in 1908 ...
Lees verder
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft de resultaten van de 13de Algemene Volkstelling van 31 mei 1960 op voorbeeldige wijze gekarteerd, op een aantal overzichtskaarten op de schaal 1:400.000. Het was de eerste keer dat met dit detail de verspreiding van de bevolking weergegeven werd en dat heeft geleid tot een goed beeld van de patronen van de bewoning: het karakter van de geconcentreerde bebouwing versus die van de dijk- of wegdorpen komt er heel goed op tot uitdrukking. Het karteringsprincipe is dat van de stippenkaart. Op basis van de uitkomsten van de volkstelling voor de telgebieden der ...
Lees verder
In dezelfde serie kaarten uitgegeven door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) als de bevolkingsspreidingskaart – elders in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten en op basis van de gegevens van de Volkstelling van 1960 – valt deze bevolkingsdichtheidkaart. In dit overzicht van thematische kaarten van de bevolkingsdichtheid is dit de laatste en de beste, omdat hij zowel overzicht als detail biedt en ook het (woon)landschap karakteriseert. Vergelijk deze kaart met enkele andere gedigitaliseerde kaarten van Kuyper in deze collectie thematische kaarten, zoals de bevolkingsdichtheidkaart per kanton (combinatie van gemeenten) in 1860 uit de 'Natuur- en staatshuishoudkundige atlas van Nederland' ...
Lees verder
Evert Maaskamp (1769-1834) was graveur en uitgever te Amsterdam, bekend van de productie van stadsplattegronden en topografische overzichtskaarten gebaseerd op het werk van Krayenhoff. In 1830 bracht hij deze geschiedeniskaart uit van de Nederlanden, een object voor latere kritiek. Met name bij Mees (zie elders in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten), die zelf ook zijn geschiedenisatlas aan de regerend vorst had opgedragen: ‘Het is voorzeker de bekende welwillendheid van onzen overledenen Koning geweest, die hem de vergunning deed schenken; want zijn wapenschild is ongenoegzaam om de feilen van het onder zijne bescherming gestelde te dekken. Het is een gekleurde kaart ...
Lees verder
Deze kaarten verschenen in 1881 bij Voltelen. Witkamp kennen we van de ‘Sterfteatlas van Nederland’ (zie elders in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten), een geschiedenisatlas uit 1881, schoolatlassen en wereldatlassen en van een goed gegeneraliseerde ‘Nieuwe kaart van het Koningrijk der Nederlanden’ op de schaal van 1:200.000 welke door Smulders in 1864 werd gedrukt. Mede met het oog op de door hem vervaardigde ‘Sterfteatlas’ hoort Witkamp geheel thuis in dezelfde groep als Kuyper en Staring als pioniers van de Nederlandse thematische kartografie. De vier hier afgebeelde kaarten zijn elk op zich juweeltjes. Grafisch zijn ze bijzonder geslaagd, mede met het ...
Lees verder
Zoals ook al blijkt uit het feit, dat Blink (1852-1931) de auteur was van de kaarten in de atlas van Everwijn (zie elders in deze collectie gedigitaliseerde kaarten), was Blink rond de wisseling van de 19de naar de 20ste eeuw wegbereider van de thematische kartografie. Na de belangrijke periode rond 1860 is hij als eerste weer een vernieuwer in de zin van dat hij conclusies laat trekken uit de vergelijking van kaarten en – als wegbereider van de vakrichting der economische geografie in Nederland – daardoor de belangrijkste producent van sociaal-economische kaarten is in ons land vóór 1960. Het door ...
Lees verder
Op een gegeven moment komt men na 1900 verder in de thematische kartografie door kwantificering en worden teksten, als zou de bloembollenteelt ergens voorkomen, of figuratieve symbolen die hetzelfde aangeven, vervangen door kwantitatieve symbolen. Blink is daar een voorloper van (zie de ook in deze collectie opgenomen kaarten, die hij voor de atlas van Everwijn vervaardigde). De techniek van de hoeveelhedenkaart begint heel voorzichtig bij Kuyper, wanneer hij grote en kleine industriecentra of havens van elkaar onderscheidt met grotere of kleinere stippen, zonder daar trouwens een kwantitatieve legenda aan te verbinden. Bij Blink is de methode volwassen geworden, met een ...
Lees verder
Behalve losse kaarten zijn ook kaarten in boeken en tijdschriften een belangrijke bron voor de studie van de ontwikkeling van de thematische kartografie. Als tijdschriftredacteur en zeer vruchtbaar boekenschrijver heeft Blink ook mede daardoor een grote invloed op de popularisatie van thematische kaarten gehad. Op de hier behandelde kaart wordt met in dikte en signatuur onderscheiden lijnsignaturen het volume van de passerende schepen aangegeven; de nummers naast de waterwegen verwijzen naar een lijst met hun namen. De weergave in de Zuiderzee is niet helemaal bevredigend; de cirkel geeft aan hoeveel verkeer er van de erop uitkomende waterwegen in de Zuiderzee ...
Lees verder
Als geen ander heeft ook Anton Albert Beekman (1854-1947) zich beziggehouden met de gedetailleerde reconstructie van West-Nederland in de Middeleeuwen, op basis van oude kaarten en andere bronnen. Van 1909 tot 1938 (publicatie begon pas in 1913) was hij zowel de redacteur en de kartograaf van alle 185 kaartbladen van de ‘Geschiedkundige Atlas van Nederland’, waaraan een heel team van geleerden onder wie de historicus P.J.Blok meewerkte. Wat dat betreft was het, qua opzet, een voorloper van de nationale atlas (zie elders in deze collectie gedigitaliseerde kaarten). De reconstructie, die hier wordt afgebeeld, is die van Holland, Zeeland en West-Friesland ...
Lees verder
Reconstructie op basis van de kaart van Menso Alting (1541-1612) van Nederland in de Romeinse tijd, berustend op speculatie en de overlevering dat het Flevomeer geleidelijk in omvang vergroot was en tenslotte de verbinding tussen Friesland en West-Friesland had overstroomd. Langs de (Oude) Rijn staat aangegeven dat hij de grens vormt tussen Gallia en Germania. De informatie in de kaart is onder andere gebaseerd op de Romeinse geschiedschrijver Tacitus. De auteur, burgemeester van Groningen en amateur-historicus, zet zich af tegen het door Ortelius gesuggereerde kaartbeeld (zie de historische kaart van Pieter van den Keere uit 1617). De kaarten in deze ...
Lees verder
In 1927 werd het eerste ‘Rijkswegenplan’ gepresenteerd, bestaande uit een kaart waarop een hoofdwegenstelsel voor doorgaand gemotoriseerd verkeer was aangegeven en uit tabellen voor de betreffende bestaande, te verbeteren en nieuw aan te leggen wegen. Door de in 1926 opgestelde Wegenbelastingwet werd het rijden op de openbare weg belast, waarbij de inkomsten in een Wegenfonds zouden vloeien. Men begon snel met de bouw van nieuwe wegen; de economische crisis van 1929 versnelde dat proces nog omdat men van mening was dat door publieke werkverschaffingsprojecten en investeringen in de infrastructuur de werkeloosheid bestreden kon worden. Er kwam 500 kilometer geplande weg ...
Lees verder
Kuyper heeft hier een zeer ambitieuze doelstelling, namelijk het zowel aangeven van de dichtheid als de spreiding van de bevolking, op basis van de gegevens van de 7de Volkstelling van 1889. De dichtheden worden in elf klassen aangegeven, van ‘Minder dan 25 inwoners per 100 ha’ (dus per vierkante kilometer) tot ‘Meer dan 4.000 inw.’; het grote aantal klassen maakt het in de kaart bijna onmogelijk om te zien tot welke klasse een gemeente precies behoort. De kaart is zeer gedetailleerd omdat hij de informatie per gemeente geeft en niet meer per kanton, zoals geschiedde bij de bevolkingsdichtheidkaart uit de ...
Lees verder
De Leidse taalkundige J.H.C. Kern roept in 1878 op tot het vervaardigen van een linguïstische kaart van Nederland. Dat werd opgepakt door het (Koninklijk) Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (KNAG), dat een enquête deed uitgaan waarin werd nagegaan welke klanken werden gebruikt bij de uitspraak van een aantal standaardwoorden of -zinnen. Onder leiding van de neerlandicus Prof.dr. Jan te Winkel (1847-1927) werd gepland in plaats van een taalkaart een atlas uit te brengen waarin per taalverschijnsel (klank/grammatisch verschijnsel of een paar woorden) een aparte kaart de situatie voor Nederland beschreef. Omdat fondsen uitbleven, werd besloten de voor de atlas geplande kaarten ...
Lees verder
Taal- en dialectkundigen van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) en van de Rijksuniversiteit Leiden en de Katholieke Universiteit van Leuven zijn vanaf 1939 bezig geweest aan de productie van een taal- en dialectatlas van het Nederlands. Deze atlas was in eerste instantie gebaseerd op een enquête onder een groot aantal respondenten – in totaal bijna 2.000, verdeeld over Nederland en Vlaanderen. Die respondenten werd gevraagd de plaatselijke vormen op te schrijven van een groot aantal begrippen. Door overeenkomstige antwoorden overeenkomstig te visualiseren (met hetzelfde symbool) en verwante woorden met op elkaar gelijkende symbolen aan te geven is voor ...
Lees verder
Taalkaarten, dat wil zeggen kaarten met grenslijnen die verschillende taalgebieden tegen elkaar afgrenzen, komen voor vanaf de 16de eeuw. Nederlandse voorbeelden zijn er uit de 17de eeuw, maar voor kaarten met een echt linguïstische achtergrond is dit exemplaar van L. ten Kate waarschijnlijk de oudste. Naast deze ingekleurde versie bestaat er ook een waarop de grenzen gedrukt zijn. Ten Kate verdeelt de talen in ‘Kimbrisch of oud-Noors, ook Runisch genaamd’ (het gebied binnen de beige lijn), ‘Oud-Theutonisch of Oud-Duitsch’ (hier met de kleur blauw aangegeven), ‘Oud-Gallisch’ (hier met een lichtrode kleur aangegeven), ‘Slavonisch’ (hier met een paarse kleur aangegeven). De ...
Lees verder
De Cartophoot is een puzzel met circa 800 stukjes, waarvan de stukjes elk een gemeente van Nederland voorstellen; van alle gemeenten bestaan er stukjes in tien uitvoeringen, dat wil zeggen in oplopende, met rasters gegenereerde tinten. De Cartophoot is geconcipieerd om snel thematische kaarten te kunnen vervaardigen. Op basis van tabellen met statistische gegevens per gemeente en een klassenindeling, waarvoor wordt vastgesteld met welke grijswaarden de klassen zullen worden weergegeven, kan worden vastgesteld met welke tint een gemeente zal worden weergegeven en welk stukje van die gemeente dus in de puzzel moet worden ingepast. Was eenmaal bekend in welke klassen ...
Lees verder
Deze vroege kwantitatieve kaart van de neerslag in Nederland zou tegenwoordig niet meer denkbaar zijn, vanwege het algemene besef dat neerslag een continuum is wordt het met isolijnen begrensd, maar deze kaart van Lorié is gekarteerd met de dasymetrische techniek, waarmee gebieden met gelijke waarden tegen andere gebieden worden afgegrensd. Waarschijnlijk stellen de weergegeven plaatsnamen de waarnemingsstations voor, op de uitkomsten waarvan de kaart gebaseerd is. De kaart probeert wel aan de hand van een verloop van licht naar donker de klassewaarden juist uit te beelden, maar dat lukt niet helemaal.
Lees verder
De Wereld Meteorologiche Organisatie (WMO) heeft altijd een sterke standaardiserende activiteit uitgeoefend; in 1958 deed ze een richtlijn uitgaan volgens welke alle lidstaten klimaatatlassen uit zouden moeten geven, gebaseerd op gemiddelden van de waarnemingen over de periode 1930-1960, als grondslag voor een wereldklimatologie. Daartoe waren er specifieke aanwijzingen welke thema's, met welke klassenindelingen, moeten worden gevisualiseerd: gemiddeld aantal dagen met een maximumtemperatuur beneden 0º per maand en gemiddeld aantal dagen met een gemiddelde temperatuur beneden de 0º per maand. De kaarten bevatten isolijnen die tot stand kwamen door interpolatie tussen de gemiddelde waarden berekend voor de waarnemingsstations. Aan het globale verloop ...
Lees verder
Op een gegeven moment hebben drie factoren, namelijk de toegenomen vrije tijd, de toegenomen regelgeving door de overheid en de zorg voor het milieu het ontstaan van nieuwe soorten kaarten tot gevolg gehad, vooral op het gebied van recreatie. Een voorbeeld daarvan is deze hondenkaart die door de gemeente Nieuwegein in 1985 werd uitgegeven ten behoeve van de hondenbelastingbetalende burgers en die aangeeft waar de honden los mogen lopen (het groene gebied), waar aangelijnd en waar helemaal niet mogen komen (het rode gebied, dat wil zeggen op speelweiden, speelplaatsen). De achterkant van de kaart bevat alle voor de hondenbezitters relevante ...
Lees verder
Deze godsdienstverspreidingskaart is een vroege chorochromatische kaart, die met behulp van signaturen of oppervlaktetinten de verbreiding van kwalitatieve verschijnselen aangeeft, in dit geval van de verschillende godsdiensten. Ondanks het feit dat de titel alleen het Christendom benoemt, wordt ook de Islam ('Mahumetismus') en het Jodendom ('Iudaismus') benoemd; Christendom en Islam worden met kruisen respectievelijk halve manen aangegeven. Daarnaast worden de beeldenvereerders of afgodendienaren (Boeddhisme, Hindoeïsme, maar ook beoefenaren van natuurgodsdiensten) met een schuine pijl aangegeven. Volgens de legenda vereert het menselijk geslacht overal God; de ware God kan op de juiste (Christendom) en op de verkeerde manier worden vereerd; valse ...
Lees verder
Een bijzondere kaart, waarop wordt aangegeven hoe de zonsverduistering van 12 mei 1706 vanuit verschillende delen van Europa zichtbaar was. De stippellijnen geven de grootte (magnitude) aan van de maximale verduistering, uitgedrukt volgens een schaal die van nul (geen verduistering) tot twaalf (zon totaal verduisterd) loopt. De totaliteitszone liep van de Straat van Gibraltar over Spanje, Frankrijk, Centraal Europa, Polen, Noord Rusland en eindigde in Siberië. De Schenk-kaart is gebaseerd op een vergelijkbare kaart, die werd ontworpen door de Nurembergse sterrenkundige Johann Gabriel Doppelmayr en in 1707 werd uitgegeven door de Nurembergse uitgever Johann Baptist Homann. Petrus Schenk sr. voegde hierbij ...
Lees verder
Dr. A. Sasse publiceerde van 1880 tot 1915 over de waarde van schedelmetingen voor de antropologie en meende op basis daarvan uitspraken te kunnen doen over de gebieden waar Friezen, Franken en Saksen zich gevestigd hadden ná het wegtrekken der Romeinen. Aan de verhouding tussen lengte en breedte van de schedel (een langwerpige schedel heette ‘dolichocephaal’, een brede schedel ‘brachycephaal’) meende men een bepaalde afkomst vast te kunnen stellen. Afgezien van het feit, dat dit één van de eerste kaarten is op het gebied van de niet meer gangbare vakrichting van de fysische antropologie, is de kaart interessant vanwege de uit ...
Lees verder
Deze kaart geeft het over het water vervoerde volume aan vracht weer voor het jaar 1883 en gebruikt daarvoor de bewegingskaartmethode: hoe groter het volume van de vracht, hoe donkerder de bies langs de betreffende waterwegen. Om er zeker van te zijn dat men er de juiste conclusie uit trekt, zijn de betreffende klassenwaarden behalve in de legenda ook in de kaart opgenomen. De exacte waarden staan, per provincie gerangschikt, in de marge vermeld. De letters bij de namen verwijzen naar de namenlijst van de waterwegen. Deze kaart is nog weer een bewijs van de relatief belangrijke positie van Noord-Nederland ...
Lees verder
Statistische congressen en tijdschriften hebben een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de thematische kartografie. Voordat er specifieke kartografische tijdschriften kwamen, was het forum voor de beoefenaren van de thematische kartografie ofwel de statistiek of de geografie. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft later lange tijd gedeeld in die traditie en een voortrekkersrol gespeeld in de productie van thematische kaarten op basis van statistische gegevens. Er werd bijvoorbeeld gewerkt naar een speciale handleiding voor de productie van dergelijke kaarten. Als proeve van een kartografische uitwerking van de resultaten van de volkstelling van 1859 verschenen in het ‘Tijdschrift ...
Lees verder
Eén van de eerste rampenkaarten uit de geschiedenis van de kartografie. Op 12 januari 1807 ontplofte een met buskruit geladen schip, dat tegen alle voorschriften in in het centrum van Leiden had aangelegd. Het resultaat was veel ernstiger dan bij de vuurwerkramp van Enschede op 13 mei 2000: in Leiden kwamen 151 mensen om en er waren 2.000 gewonden. Het was ook een ramp voor de Leidse universiteit: in de welgestelde buurt langs het Rapenburg waar het schip had aangemeerd woonden veel hoogleraren. De plaats van de explosie is niet herbouwd, er is een park aangelegd. De kaart van Van Campen, ...
Lees verder
Naast de bodemkaart van Groningen door Acker Stratingh (zie elders in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten) een tweede bewijs van de hoge stand der Groningse agrarische wetenschap in deze vroege op de landbouw toegepaste geologische kaart. Er wordt onderscheiden: ‘1 Zandgrond’, ‘2 Leem- en potklei’, ‘3 Dollardklei’, ‘4 Roodoorn’, ‘5 Roodalm’, ‘6 Veenbouten’, ‘7 Gecultiveerde dalgronden’ en ‘8 Hoogveen en ongecultiv: dallen’. De plaatsen, waar klei gewonnen wordt voor verschillende doeleinden, staan ook aangegeven.
Lees verder
Het betreft hier voorzover bekend de eerste isochronenkaart van Nederland. Een isochronenkaart is een kaart met isolijnen, die punten verbinden die in eenzelfde reistijd vanuit een centraal punt kunnen worden bereikt. Dat centrale punt is op deze kaart Utrecht en met gebruikmaking van de dienstregelingen van 1900 en 1932 heeft men uitgerekend hoeveel tijd men nodig had om van Utrecht met de trein andere bestemmingen in het land te bereiken. Men kan bijvoorbeeld uit de kaart aflezen dat, waar men in 1900 vier uur nodig had voor de reis Utrecht-Groningen, dat in 1932 in drie uur mogelijk was. Het is ...
Lees verder
Het is verbazingwekkend dat in de ‘Bosatlas’ al in het jaar 1932 een kaart van het routenet van de KLM was opgenomen, terwijl een kaart van het ‘Rijkswegenplan’ pas in de editie van 1934 in de atlas terecht kwam. Pas in 1947 komen de eerste autowegen op de kaart van Nederland in de ‘Bosatlas’ en pas in 1964 op de kaarten van andere landen. Men is dus dan pas overgegaan van het tijdperk van spoorwegen en kanalen, via het luchtvaarttijdperk op dat van de autowegen. Deze serie kaartjes uit het ‘Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap’ is een eerste voorbeeld ...
Lees verder
De 'Bosatlas' heeft van 1877 tot 1971 (publicatie 47ste druk) een wereldkaart met als thema 'verkeer' gevoerd. Deze kaart toonde de scheepvaartverbindingen (waaronder apart aangegeven ook de Nederlandse), de belangrijkste spoorwegen, aanvankelijk ook karavaanwegen en een tijd lang telegraaflijnen. In de eerste drukken was de verkeersinformatie gecombineerd met zeestromen en mensenrassen. Later werden die andere thema's naar bijkaarten of naar andere kaartbladen verplaatst. De kaart van het 'Wereldverkeer' moet zeker tot aan de democratisering van het vliegverkeer na de Tweede Wereldoorlog de belangrijkste bron zijn geweest voor Nederlanders om na te gaan hoe ze naar plaatsen buiten Europa moesten reizen. In ...
Lees verder
Dit is de eerste bekende kaart, waarin het verloop van de bevolking wordt aangegeven. Dat wil zeggen: de toe- of afname op een bepaald moment, vergeleken met een vast punt in het verleden. Hier is dat de situatie voor 1860, waarmee de getallen voor 1880 worden vergeleken. Uit de legenda kan men aflezen, dat de bevolking niet overal is toegenomen in die twintig jaar: er zijn gemeentes waar de bevolking stationair bleef (en varieerde tussen +2 procent en -2 procent ten opzichte van 1860), maar ook waar hij tot tien procent of zelfs meer dan tien procent achteruitging. Alleen zijn ...
Lees verder
Dit is in deze serie van 100 thematische kaarten het tweede voorbeeld van een dasymetrische kaart; een andere is van 1892 en betreft de kaart van de neerslag door J. Lorié en H. Tonkes; deze gaat over de bevolkingsdichtheid. Kuyper was ongelukkig met het beeld, dat geleverd wordt door choropleten op basis van gemeentegrenzen. Deze grenzen hebben vaak geen enkele relevantie voor die dichtheid en daarom probeert hij zijn eenheden te begrenzen door lijnen, die wel een relatie hebben met de factoren die die dichtheid beïnvloeden. Hij past daartoe de gegevens uit de Volkstelling van 1990 aan aan de nieuwe, ...
Lees verder
Eén van de kaarten, die het meest heeft bijgedragen tot het Nederlandse zelfbewustzijn, is waarschijnlijk deze kaart uit de 'Grote historische atlas' van Hettema geweest. Deze atlas gaf – in verschillende variaties – aan welk deel van de wereld rond 1650 (nog voordat de Braziliaanse bezittingen weer terugveroverd werden door de Portugezen en Formosa door de erfgenamen van de Ming-dynastie binnen het Chinese rijk werd gebracht) in Nederlandse handen was. Een andere uitvoering van dezelfde kaart betrof de territoriale verbreiding van het gebied onder controle van de Nederlandse compagnieën (VOC, WIC, NC), die met een oranje kleur was aangegeven. Het ...
Lees verder
J.C. Ramaer (1852-1932) is een ingenieur van Rijkswaterstaat geweest met grote belangstelling voor de historische geografie; hij was samen met Beekman één van de redactieleden van de ‘Geschiedkundige atlas van Nederland’ (zie elders in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten) en probeerde ook aan de hand van demografische analyses de bevolkingszwaartepunten in het verleden te reconstrueren. Daar is deze manuscriptkaart een onderdeel van. In handschrift worden voor 1795 de plaatsen- c.q. bevolkingsconcentraties met meer dan 2.000 inwoners aangegeven. Dezelfde informatie is er ook voor 1840, 1880 en 1920, zodat hij in staat was trends af te lezen.
Lees verder
Deze kaart is één van de vroege Nederlandse voorbeelden van een bewegingskaart. Dit is een kaart, waarop aan de hand van in dikte variërende lijnsignaturen verschillende verkeersfrequenties of verschillende vervoerde hoeveelheden worden aangegeven. In de legenda ziet men dat de kleur en de dikte van de bies langs de waterwegen proportioneel is met die vervoerde hoeveelheden: er zijn waterwegen waarlangs meer dan 1 miljoen ton per jaar wordt vervoerd, 500.000 tot 1 miljoen ton of van 100.000 tot 500.000 ton. De diepte van de waterwegen wordt tevens aangegeven. Om de bereikbaarheid van zeehavens aan te geven, wordt bovendien een stelsel ...
Lees verder
In deze periode wordt er geëxperimenteerd met combinatie van verschillende verschijnselen in één kaart, een ander voorbeeld daarvan is zichtbaar in de kaart van Witkamp, ook van de provincie Utrecht, uit zijn ‘Sterfteatlas’ van 1866 (zie elders in deze collectie gedigitaliseerde kaarten), waarin hij de grondsoorten met het sterftecijfer vergelijkt. Op deze kaart van Kuyper betreft de vergelijking die tussen grondsoorten en bevolkingsdichtheid. De grondsoorten worden met de verschillende kleuren aangegeven, de bevolkingsdichtheid met een arcering (meer dan 100 inwoners per 100 hectares (dus per vierkante kilometer) is een dichte arcering, tussen 75 en 100 inwoners per vierkante kilometer een ...
Lees verder
Reconstructie uit circa 1785 van de situatie in de Romeinse tijd op basis van Romeinse auteurs.
Lees verder
Deze vijf kaarten verschillen in zoverre van elkaar, dat die van de Zijpe (1597 drooggelegd) en van het Waterland gewone grootschalige topografische kaarten zijn, terwijl die van de Beemster (1612 drooggelegd), Purmer (1622) en Wormer(1626) plannen van indeling behelzen. Als zodanig zijn het dus vroege planologische kaarten en vergelijkbaar met het verkavelingsplan voor het Haarlemmermeer uit circa 1855, die ook in de collectie gedigitaliseerde thematische kaarten is opgenomen.
Lees verder
Wat heel zeldzaam is, een bronvermelding in deze periode, vindt men in de titelcartouche van deze kaart. Bolstra geeft aan waar hij het verloop van de oevers van het Haarlemmermeer in de aangegeven jaren aan ontleend heeft: De oeverlijn uit 1531 en 1591 uit de kaarten van het Haarlemmermeer, uitgegeven door het gemeentebestuur van Leiden (waarschijnlijk kaarten van de landmeter Jan Pietersz. Dou), de oeverlijn van 1610 is ontleend aan de oude kaart van Rijnland (de wandkaart van Rijnland door Floris Balthasars en Balthasar Florisz. van Berckenrode uit 1615), die van 1647 en 1687 aan de contemporaine grote kaart van ...
Lees verder

Van Gorkum is bekend als leider van de opname in België (zie de 'Choro-mineralogische en algemeene hydrographische kaart van een gedeelte der zuidelijke provincien van het Koningrijk der Nederlanden' uit 1833 elders in deze collectie gedigitaliseerde kaarten) en als directeur van de Topographische Inrichting in Leiden (zie de etappekaart van Nederland uit 1848, eveneens in deze collectie). Hij heeft hier de rol van officiële karteerder van de grens tussen Nederland en het opstandige België (in 1818 had Van Gorkum met een Franse collega de grens tussen Nederland en Frankrijk afgebakend). In een 'In memoriam' over Van Gorkum staat vermeld: 'Deze ...
Lees verder

Dit is het ‘Rijkswegenplan’van Koning Willem I, met ‘routes royales’ en ‘routes décrétées à construire’ (te construeren wegen). Het is getekend door het corps van de waterstaat. De aan te leggen wegen blijken vooral in het zuiden te liggen en tussen de twee samengevoegde rijken (zie ook de kaart van het 'Rijkswegenplan 1932' van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, elders in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten). De grens tussen de twee samengevoegde rijken is niet als provinciale grens aangegeven, maar als staatsgrens. Met name in de wegen in het zuiden is om een vaste afstand een dwarsstreepje ingetekend; een ...
Lees verder
Wanneer het commentaar onderaan de kaart klopt is aan deze kaart zo'n 140 jaar gesleuteld, ook nadat hij in 1696 in de 'Nieuwe Cronyk van Zeeland' is opgenomen. Hij moet geconstrueerd zijn op basis van lijsten van plaatsen, die in 1274 vermeld stonden (omdat ze belasting afdroegen bijvoorbeeld) en waarvan de locatie op kaarten uit de 17de eeuw, voorzover bekend, werd ingetekend. Vervolgens zijn de grenzen der eilanden daaromheen schetsmatig ingetekend, waarbij tevens de vermoedelijke loop der zeearmen is gereconstrueerd. De kaart biedt daarmee een overzicht van de mogelijke geografische situatie rond het jaar 1274, toen Gwijde van Dampierre graaf ...
Lees verder
Lange tijd vormde de rivier de Merwede één van de grootste probleemgebieden in het Nederlandse rivierenstelsel. Na de Sint-Elisabethsvloed in 1421 – waarna de Biesbosch de gelegenheid kreeg om geleidelijk te ontstaan – werd de waterstaatkundige situatie van vooral het dijkvak tussen Gorinchem en Dordrecht precair. Langs de onbedijkte zuidelijke oever van de Merwede lag hier de noordgrens van de uitgestrekte Biesbosch. Dit gebied bestond uit vele waterlopen, zogeheten killen, die het overgrote deel van het Merwede-water via het Hollands Diep naar de Noordzee afvoerden. De Merwede zelf kreeg echter steeds minder water te verstouwen, waardoor het problematisch werd om ...
Lees verder
Deze kaart van de kerkelijke indeling van de calvinistische staatskerk (tot en met begin 19de eeuw heet ze gereformeerd, daarna hervormd) zit in dezelfde categorie als de kaarten van De Bouge van 1816 (zie de administratieve kaart van het Koninkrijk der Nederlanden uit circa 1820 in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten). Het is een inventaris- of organisatiekaart, die aangeeft welke territoriale indeling er geldt bij het bestuur. De provinciale organisatie wordt verder toegelicht door aan te geven waar de classis, de provinciale afvaardiging van kerkbesturen, haar synodale vergaderingen houdt. De kaart is afkomstig uit: ‘Nieuwe kerkelyke geographiesche zak- en reis- atlas, ...
Lees verder
Dit is eigenlijk een proceskaart, een kaart van een verlandings- c.q. uitschuringsproces van de rivier de Waal, waartegen men maatregelen tracht te nemen. De grenzen van de rivier van 1753 zijn weergegeven en de huidige oeverlijnen. Men probeert de bedreiging van Herwen tegen te gaan met een bleeswerk en met de aanleg van inlaagkaden verderop. Het zal alles vergeefs zijn. In de winter nadat deze kaart is opgemaakt, begeeft de dijk bij Herwen het alsnog en wordt het dorp verzwolgen door de rivier.
Lees verder
Dit is een mooie pendant van de kaart van de uitbreiding van het Haarlemmermeer uit circa 1740 door Melchior Bolstra (zie elders in deze collectie gedigitaliseerde thematische kaarten). Het is een planologische kaart, waarop de toekomstige indeling van een te ontginnen (in dit geval moest het ook nog eerst worden drooggelegd) gebied met de verschillende sloten en kanalen en de ringvaart die voor de drainage nodig waren. Ook de locaties van de geplande gemalen, zoals de Cruquius, staan op de kaart ingetekend. In de loop der tijd sloegen stormen steeds meer veengrond weg. Die veengrond verdween overigens ook door veenafgraving. ...
Lees verder
Kaarten van de verzorging en distributie door het winkelapparaat, dat zorgt voor levensmiddelen, vlees- zuivel, groente en brood en de discussie over het garanderen van een minimumpakket voor de kleine kernen, zijn in Nederland pas laat geproduceerd. De eerste ervan stammen van L. Bak met zijn ‘Atlas van de distributieve verzorging’, die de publieke ruimte (het totale oppervlak van het winkelapparaat) per kern vaststelde en dat in zijn atlas weergaf op een ondergrond van de publieke ruimte per inwoner binnen de telgebieden. Als een reactie daarop – om meer gegevens aan te dragen over de kwantitatieve omvang van het winkelapparaat ...
Lees verder
Dit is een schematische kaart met de indeling in zones van Nederland ten behoeve van het openbaar vervoer met de bus. Als planningsdocument voor zowel vervoersproviders als reizigers heeft deze kaart het mogelijk gemaakt over te gaan van de vervoersbewijzen van de individuele openbaarvervoermaatschappijen naar de huidige (2005) gecombineerde kaartverkoop, waarbij de inkomsten uit de verkoop volgens een vaste sleutel over de verschillende aanbieders verdeeld worden. Het was de functie van de aangebrachte kleuren om de verschillende vervoersgebieden te onderscheiden: elk extra gebied, dat men doorkruiste, betekende het afstempelen van een extra strip. Er zijn dus geen gemeenschappelijke eigenschappen van de ...
Lees verder
Crome, die onderricht gaf in de aardrijkskunde en de geschiedenis in Dessau werd professor in de statistiek en de politieke economie in Giessen. Zijn kaart is nog in Dessau gepubliceerd en bevat een veelvoud van symbolen om het voorkomen van 56 verschillende producten voor de handel aan te geven. Het is dus een kwalitatieve kaart; de grootte van de productie van de behandelde goederen wordt niet aangegeven. Crome wordt tegenwoordig beschouwd als de uitvinder van de statistische kaart, anticiperend op het werk van Von Humboldt in de jaren tien en twintig van de 19de eeuw.
Lees verder

Dit is een zogeheten blinde kaart, zonder toponiemen. De diverse gebruikte symbolen staan - zonder toelichting - links buiten het kader opgesomd.


Lees verder
Op basis van de Bedrijfstelling van 1930 werd door het CBS een aantal kaarten geproduceerd waarop de uitkomsten van de verzamelde statistische gegevens werden gevisualiseerd, behorend bij rapporten. Het zijn de eerste kaarten die op deze schaal aan de hand van proportionele diagrammen – hier staafdiagrammen – de lezers in staat stellen de verschillende grootheden met elkaar te vergelijken. De kaart geeft zo een goed overzicht van de verspreiding van de metaalnijverheid over het land, op basis van de aantallen te werk gestelde personen (1 cm = 400 personen), maar tevens van de differentiatie binnen de metaalnijverheid, aan de hand ...
Lees verder
In september 1967 werd er gedurende een hele week bijgehouden hoeveel poststukken er vanuit elk van de 45 postdistricten in Nederland naar de 44 andere districten werden verstuurd. Het resultaat is spectaculair, het toont een soort tweedeling tussen noord en zuid, beide op het westen georiënteerd, maar nauwelijks op elkaar: het aantal poststukken van bijvoorbeeld Groningen naar het gebied beneden de rivieren, of vanuit Eindhoven naar het gebied benoorden Zwolle is te verwaarlozen. De verschillende kaarten laten zien hoe deze culturele scheiding met onverwachte kwantitatieve gegevens in kaart kan worden gebracht. De kaarten zijn dus vernieuwend vanwege de bron, die ...
Lees verder
Deze tweede editie van de wetenschappelijke atlas had een veel kleiner, handzamer formaat dan de eerste en was ook speciaal herschreven om geïnteresseerde leken en middelbare scholieren van de hoogste klasse aan te kunnen spreken. Na de eerste editie, die vooral inventariserend was en de infrastructuur behandelde en de fysische aspecten van de omgeving, was de tweede editie vooral op de mensen in Nederland gericht. Ook was de atlas meer bedoeld om te helpen bij het oplossen van problemen. Het hier afgebeelde atlas'spread' (twee tegenoverelkaar staande pagina's) uit het katern 'Bevolking' geven de spreiding, de dichtheid, het tempo en het soort ...
Lees verder