Bleuland en Lodewijk Napoleon

Het lijkt een onbeduidend stukje papier, een brief van nog geen tien regels, niet meer dan een bedankje voor een aanstelling. Afzender en ontvanger zijn echter niet de minsten: Jan Bleuland, beroemd medicus en tweemaal rector van de Universiteit Utrecht, die schrijft aan de grootmeester van het paleis van koning Lodewijk Napoleon. Het latere paleis van de koning in Utrecht behuist nu de Universiteitsbibliotheek Binnenstad aldaar. Een brief dus met enige symbolische waarde, maar ook met een aantal andere opmerkelijke aspecten – en geschreven in een periode waarin zich een tragische gebeurtenis voltrok.

Ziekenhuis, kabinet en museum

Het Groene Hart Ziekenhuis Bleuland aan de Bleulandweg te Gouda; het Bleulandkabinet in het Utrechtse Universiteitsmuseum, met daarin een uitgebreide verzameling van skeletten, foetussen op sterk water en waspreparaten van lichaamsdelen; en het soortgelijke Anatomisch Museum Bleulandinum in het Stratenum van het UMC (Universitair Medisch Centrum) Utrecht, zij zijn alle vernoemd naar Jan Bleuland. Diens preparaten waren baanbrekend, werden in 1816 bij besluit van koning Willem I voor de Universiteit Utrecht aangekocht, en vormen nog steeds aansprekend onderwijsmateriaal. Bleulands talenten als dokter en medisch onderzoeker werden niet alleen erkend door zijn patiënten en de geleerde wereld, ook de eerste koning van Nederland, Lodewijk Napoleon, wilde hem aan zich verbinden. Maar dat lijkt niet in zijn geheel volgens zijn bedoelingen te zijn gegaan.

De lamme koning

‘De lamme koning’ heette hij in de volksmond, en toen hij in juni 1806 koning van Nederland werd, vertrok hij na ruim een maand voor een kuur naar Wiesbaden, waar hij tot september zou verblijven (Evers 1941, 20; Van der Burg 2007, 63). Lodewijk Napoleon had eigenlijk geen zin gehad in het koningschap van een koud en vochtig land. Hij had de Bataafse Republiek in de winter van 1805 op 1806 bezocht, en zijn gezondheid was gelijk slechter dan ooit. Zijn artsen lieten hem ten einde raad maar het hemd van een schuftlijder aantrekken om zo de kwade sappen aan te sporen zijn lichaam te verlaten (Kikkert 2006, 66). Zijn vrouw Hortense wilde al helemaal niet Frankrijk, haar familie, vrienden en het hofleven vaarwel zeggen. Maar keizer Napoleon Bonaparte was onverbiddelijk, ook elders werden tronen bestegen door zijn familieleden of vertrouwelingen, en het was van strategisch belang dat Nederland door zijn jongere broer zou worden bestuurd.

Omringd door dokters

In Nederland werd de hofhouding van Lodewijk Napoleon met veel ceremonieel omgeven. Het huishouden van de koning had acht afdelingen, waaronder een Geneeskundige dienst (Service de Santé). In februari 1807 werden er naast de Franse dokter Claude Lafisse nog eens twee geneesheren en drie consulterende geneesheren per koninklijk decreet aangesteld. De laatsten waren specialisten die konden worden opgeroepen als dat nodig was. Onder hen was de Utrechtse professor geneeskunde en tweevoudig rector van de universiteit, Matthias van Geuns (1735-1817), die vooral beroemd is geworden door het promoten van publieke hygiëne. Er werd eveneens een hoofdchirurgijn aangesteld, de Fransman Bruno Giraud (Van Heiningen 2006). Voor het paleis te Den Haag werd er een aparte huischirurgijn aangesteld. Op 18 februari 1807 werden er ook drie consulterende chirurgijnen aangesteld: Eduard Sandifort, Sebald Justinus Brugmans en Jan Bleuland (Christiaans 1995, 527).

De drie chirurgen

Dit is een gerenommeerd trio. Sandifort (1742-1814) was professor Geneeskunde aan de Universiteit van Leiden en wordt wel de vader van de pathologische anatomie genoemd. Brugmans (1763-1819) was eveneens professor Geneeskunde aan dezelfde universiteit, alsmede professor in drie andere disciplines: Botanie, Chemie en Natuurlijke Historie. Hij maakte echter vooral naam als organisator van de militaire gezondheidszorg, eerst in de Bataafse Republiek, later onder Lodewijk Napoleon. Brugmans had Lodewijk al op zijn eerste reis naar Nederland vergezeld en hem zijn kabinet in Leiden getoond (De Munck 1997, 137; Van Heiningen 2004). Jan Bleuland (1756-1838) was een student van Sandifort geweest en had in Gouda naam gemaakt als een bevlogen en kundig arts. Hij publiceerde zijn anatomische en weefselonderzoeken met afbeeldingen in kleurendruk, onder andere gebaseerd op zijn waarnemingen door een microscoop (Bleuland 1784 t/m 1797). Het baanbrekende werk leverde hem een aanstelling als professor in de Geneeskunde op aan de Universiteit Harderwijk, waar hij ook een jaar lang de rector van was (Meter 1949; Visser 1996).

Bleuland in Utrecht

In 1795 stierf de jeugdige hoogleraar Geneeskunde Steven Jan van Geuns, en zijn vader, de bovengenoemde Matthias van Geuns, droeg Bleuland voor als diens opvolger. Bleuland doceerde niet alleen studenten in het Latijn, maar ook chirurgijnen en vroedvrouwen van de stad in het Nederlands. Naast verloskunde kreeg hij ook heelkunde en osteologie (skeletkunde) als leeropdracht. Tevens gaf hij openbare anatomische lessen en was hij praktiserend arts. In het jaar 1799-1800 werd hij ook rector van de Universiteit Utrecht, een blijk van het aanzien dat hij genoot binnen de Utrechtse academische kringen. Het is tegen deze achtergrond dat we zijn aanstelling als consulterend chirurgijn van de koning moeten zien.

Bleulands brief

De tekst die Bleuland schreef als reactie op zijn aanstelling leest als volgt:

Utrecht le 30 mai 1807

A M: de Senegra Grand Maitre de la Maison du Roi

Monseigneur!

Je ne viens que de recevoir le 27 du courant votre lettre gracieuse du 12 Mai, par la quelle il vous a plié de m’informer de l’ampliation du decret de la Majeste en date 19 fevrier 1807 contenant la volonté de la Majesté de me gratifier en ma qualité de chirurgijn consultant d’un traitement annuel de neuv cent florin payable par trimestre a commencer du 19 fevrier; je ne sais à quoi attribuer ce retard, que m’a empêche de repondre plutôt a cette agreable nouvelle.

Je m’empresse donc de vous temoigner toute ma reconnaissance de l’information, que vous aller bien voulu me donner prennant la liberté de vous solliciter d’assurer la Majesté de mes sentiments d’obligation pour cette nouvelle preuve de ses faveurs – me sentant toujours disposé a repondre avec tout le zéle possible à l’obligation que cette qualité et la confiance honnorante de mon Roi m’impose.

J’ai l’honneur d’etre dans les sentiments du plus profond respect

Monseigneur

Votre tres humble serviteur

J. Bleuland

(Vertaling:)

Utrecht, 30 mei 1807

Aan de heer De Sénégra, grootmeester van het huis des konings

Mijnheer!

Ik heb niet eerder dan op de 27ste van de huidige maand uw vriendelijke brief van 12 mei ontvangen, waarin u het schrijven had ingesloten om mij te informeren met een afschrift van het decreet van zijne Majesteit gedateerd 19 februari 1807, met daarin de wil van zijne Majesteit om mij te belonen in mijn hoedanigheid als consulterend chirurg met een jaarwedde van negenhonderd gulden, te betalen per trimester, te beginnen op 19 februari; ik weet niet waaraan ik die vertraging moet wijden, die mij heeft verhinderd om eerder op dit aangename nieuws te reageren.

Ik haast mij derhalve om u te overtuigen van mijn algehele dankbaarheid voor de informatie die het u heeft behaagd mij te sturen, en ben zo vrij om u te verzoeken om zijne Majesteit te verzekeren van mijn gevoelens van verplichting jegens deze nieuwe blijk van zijn gunsten – ik voel mij altijd bereid om met al mijn mogelijke toewijding aan de verplichting te voldoen die een dergelijke eigenschap en eervol vertrouwen van mijn Koning aan mij opleggen.

Ik heb de eer om gevoelens van het meest diepe respect te hebben,

Mijnheer

Uw zeer nederige dienaar

Jan Bleuland

In het ongewisse

Op het eerste gezicht is dit misschien niet meer dan een formeel bedankbriefje, maar wie wat nauwkeuriger kijkt, komt toch een aantal opmerkelijke zaken tegen. Het lijkt erop dat Bleuland nog in het ongewisse was over zijn aanstelling. Een samenvatting van het decreet van 19 februari was naderhand in verschillende stadscouranten verschenen, zij het juist niet in de Utrechtsche Courant. Hij had het ook van een van zijn collega’s kunnen horen, zoals Van Geuns of Sandifort. Maar uit de brief blijkt dat het voor Bleuland een agreable nouvelle is, en het is duidelijk dat hij voorheen geen contact heeft gehad met grootmeester De Sénégra over zijn aanstelling.

De Franse slag?

Het is onduidelijk waarom De Sénégra tot 12 mei wachtte om Bleuland op de hoogte te stellen van zijn aanstelling en wat er van hem werd verwacht. De brief deed er ook nog eens ruim twee weken over om van Den Haag naar Bleulands adres in Utrecht te komen. Bleuland moet zeer ingenomen zijn geweest met een jaarwedde van 900 gulden: koninklijke hoofdchirurgijn Giraud kreeg als professor Praktische Chirurgie aan de Illustere Academie van Amsterdam 1000 gulden per jaar (Van Heiningen 2006, 400). Toch doet Bleuland er nog drie dagen over om zijn brief terug te sturen.

Accentloos Frans

Bleuland schrijft zijn brief in een snelle maar leesbare hand. Hij weet hoe hij een nette brief moet formuleren, met lange volzinnen – de hele brief bestaat in feite maar uit twee zinnen. Maar hij vergeet soms zijn accenten, zoals bij de naam van de ontvanger De Sénégra, décret, Majesté, agréable, témoigner en être. De spelling honnoraire is ouderwets, en neuv is foutief (vgl. Marin 1710 en 1793). Ook het Nederlandse chirurgijn is opvallend. Er is echter geen reden om aan te nemen dat we hier met een kladversie te maken hebben. Ondanks zijn bloemrijke woorden van dankbaarheid ging deze ‘zeer nederige dienaar’ niet voor een 10 voor taal.

Ridder Bleuland

In zijn brief schrijft Bleuland over een nieuwe blijk van de konings gunsten. Hij doelt hier ongetwijfeld op het feit dat hij op 1 januari 1807 al was benoemd als ridder in de Orde van de Unie. Dit gebeurde in een ware lintjesregen, want op die dag werden er in totaal 233 ridders benoemd – de eerste groep nadat de Orde net was ingesteld. Als medicus is Bleuland echter een uitzondering tussen alle militairen en politici (Schutte 1985, 101). Hetzelfde geldt voor Brugmans, al was die ook lid van de staatsraad. Van Geuns werd iets later, op 31 maart 1807, tot ridder benoemd; Sandifort viel die eer nimmer ten deel. Blijkbaar had Bleuland een dusdanige reputatie dat Lodewijk hem al aan zich wilde verbinden. Misschien niet verwonderlijk aangezien voor de koning zijn eigen gezondheid een grote en permanente bron van zorg was. Zijn klachten intrigeerden ook tijdgenoten en latere onderzoekers, wat leidde tot nogal wilde theorieën waarbij onder andere overmatig masturberen, obsessieve jaloezie en homoseksuele neigingen jegens zijn broer en syfilis genoemd worden. Geslachtsziekte wordt daarbij voor het meest waarschijnlijk gehouden (Jones 1913-1914; Nieuwenhuijzen 1942).

De dood van Napoleon Charles

12 mei is precies een week na 5 mei. Op die dag, in de morgen, stierf de oudste zoon van Lodewijk en Hortense, Napoleon Charles (Karel) aan de kroep. Nog geen vier en een half jaar oud werd een virale infectie, waarschijnlijk veroorzaakt door de mazelen of difterie, hem fataal (De Munck 1997, 168). Volgens Hortense waren de beste dokters van het koninkrijk aanwezig, en geen van hen kende de ziekte (Hanoteau 1927, I, 287-8). Dit wordt door een andere bron bevestigd, maar deze vult aan dat Brugmans het wel wist (Garnier 1823, 75; Coppens 2006, 243). In de 19de eeuw was kroep nog vaak een dodelijke ziekte: de zwellingen van de infectie en het taaie slijm zorgden voor een fatale belemmering in het ademhalen. Ook Charles, die door Napoleon zelf werd gezien als zijn potentiële opvolger (Coppens 2006, 162-3, 180-1, 194), bleef dit lot niet bespaard.

De afwezigheid van Bleuland

De dood van Charles was een enorme schok voor het koninklijk echtpaar. Een compleet lethargische Hortense vertrok op 13 mei naar Laeken in België, waar haar moeder, keizerin Josephine, al was, en reisde daarna verder naar een kuuroord in de Pyreneeën. Lodewijk week eerst uit naar Het Loo, en vertrok de 29ste richting Parijs, om later Hortense achterna te gaan. Hij was dus niet meer in Nederland toen Bleuland zijn brief stuurde. Het heeft er alle schijn van dat Bleuland niet aan het ziektebed van Charles heeft gestaan, en zijn brief doet voorkomen alsof hij van allerlei zaken niets wist. Het is niet waarschijnlijk dat Bleuland iets voor het prinsje had kunnen doen ook al was hij aanwezig geweest. Maar het is wellicht geen toeval dat De Sénégra hem pas schrijft nadat de tragedie had plaatsgevonden. Het lijkt erop dat de grootmeester in gebreke was gebleven.

De koning komt naar Utrecht

In de zomer van 1807 besloot Lodewijk, waarschijnlijk om gezondheidsredenen, om Utrecht tot zijn residentie te maken. In allerijl werden er panden aan de Drift en de Wittevrouwenstraat opgekocht, die tezamen werden verbonden om het paleis te vormen. Reeds op 7 augustus werd het ontwerp van Johan David Zocher ingediend bij De Sénégra, die het met op- en aanmerkingen pas een maand later voorlegde aan de koning (Evers 1941, 35). Eind oktober verscheen de koning in Utrecht, maar trok eerst in het Paushuis, en zou pas op 8 januari 1808 het paleis gaan bewonen. Er werd ook een nieuw hof-protocol gedrukt van 146 pagina’s: Etiquette du Palais Royal (Evers 1941, 61-64, 68). De Ridders van de Orde van de Unie werden op 16 februari uitgenodigd voor een diner (Evers 1941, 70).

Het ontslag van De Sénégra

Lodewijks verblijf in Utrecht lijkt op een nieuw begin, en dit wordt mede gemarkeerd door het ontslag van De Sénégra in november 1807. Lodewijk dacht dat de grootmeester voor de keizer spioneerde (Gosliga 2005, 81) en beschuldigde hem van verduistering. Lodewijk kende Gabriel D’Alichoux de Sénégra (1774-na 1814) al van de artillerie-school te Valance, waar De Sénégra in 1789 kapitein was van het regiment van Grenoble (Parijs, Archives Nationale, 112AP, Sénégra).

De Utrechtse Geneeskundige dienst

Nu Lodewijk in Utrecht resideerde, werd hij ook zijn Geneeskundige dienst aangepast, en werden de Utrechtse doktors Leonardus C. E. E. van Cooth en Nicolaas Cormelis de Fremery aangesteld; de laatste had het meest gezonde Utrechtse drinkwater voor de koning uitgezocht. Van Geuns lijkt de favoriete geneesheer van de koning te zijn geworden (Evers 1941, 118-121). In september 1809, als de koning alweer lang en breed in Amsterdam zit, wordt hij zelfs als de premier médécin consultant van de koning erkend (Christiaans 1995, 527). Bleuland blijft bij dit alles wederom buiten beeld. Maar wellicht zijn er nog (archief)bronnen die een licht kunnen werpen op de contacten tussen Lodewijk en Bleuland.

Het oordeel van Cuvier

Het boterde al geruime tijd niet tussen Lodewijk en Napoleon, en Nederland werd in 1810 onderdeel van het Franse keizerrijk. De Universiteit Utrecht werd gereduceerd tot een école secundaire. Lodewijk vertrok definitief uit de Lage Landen. In opdracht van de keizer beoordeelden de geoloog en patholoog-anatoom Georges Cuvier en diplomaat François Noël het Nederlandse onderwijs, en leverden een kritisch rapport af (Van der Burg 2012). Bleuland werd evenwel gezien als de enige Utrechtse hoogleraar van internationaal formaat en een van de meest bekwame Europese anatomen (Visser 1996, 55). Na zijn dood werd Bleuland geroemd als een pionier in de vergelijkende ontleedkunde (De Fremery 1840, 33).

Ingekleurd

Het is opmerkelijk dat er over iemand van het statuur als Bleuland nog geen uitgebreide biografie is verschenen, terwijl hij toch een actief en belangrijk academisch leven heeft geleid, en daarnaast ook actief was als kunstverzamelaar. De korte studies van Meter (1949) en Visser (1996) benadrukken zijn baanbrekend werk als pathaloog-anatoom, waarbij de resultaten werden gepubliceerd in boeken waarvan de meeste nu zijn gedigitaliseerd (zie beneden in ‘Verder lezen’). Wie bijvoorbeeld zijn Otium academicum uit 1828 nu bekijkt, kan zich nog steeds verbazen over de uitzonderlijke kwaliteit van de ingekleurde afbeeldingen.

Verder lezen

1807
Handschrift
BJ, mei 2015