De moraal van Job

De tekst van de Moralia in Job van de kerkvader Gregorius de Grote heeft gefunctioneerd als een theologische verhandeling over christelijke ethiek. De Moralia was met name bestemd voor geestelijken, en dit geldt ook voor Hs. 87 (3 A 3) dat heeft toebehoord aan de Augistijners van het Utrechtse Regulierenklooster. Het is een luxueus handschrift, met fraaie gehistorieerde initialen die grotendeels de al bestaande beeldtraditie van de Moralia volgt. Opvallend is echter een aantal vreemde en fantasierijke wezens die erin voorkomen: welke relatie hebben zij met de Moralia-tekst van Gregorius?

Gregorius

Paus Gregorius de Grote (540–604) geeft in zijn commentaar op het bijbelboek Job, de Moralia in Job, uitleg over de religieuze betekenis ervan, met als doel het beschrijven van de christelijke moraal van zijn tijd. Gregorius was een van de vier grote Latijnse kerkvaders (naast Hiëronymus, Ambrosius en Augustinus). De Moralia groeide in de Middeleeuwen uit tot een (soort) handboek voor geestelijken, waarbij de gehele weg beschreven werd die een gelovig mens moest afleggen tot aan diens vereenzelviging met het geloof in God. De titel Moralia in Job verwijst naar de verklaring van Job in de Bijbel, waarin hij vorm geeft aan het menselijke gezicht voor het lijden en de schuld van een gelovige. Job laat hiermee zien hoe geduld en passie gecombineerd worden in het geloof in God (Terrien 1996, 271-3).     

De Moralia

Elk van de 35 Boeken van de Moralia bestaat uit een korte bijbelpassage uit het boek Job, uitgelegd in eerste instantie in de letterlijke (historische) zin, vervolgens in zijn allegorische of spirituele (overdrachtelijke) betekenis onderzocht wordt en daarna een werkelijke (morele of mystieke) betekenis krijgt, die betrekking heeft op de gevolgen van het handelen van ieder mens. Deze drievoudige methode van verklaren bepaalde de bijbeluitleg of exegese gedurende de gehele Middeleeuwen. Op grond van de uitleg en beredenering van Gregorius wordt het beeld van de opstandige Job (Job 12:1-6) veranderd in een stoïcijns duldende Job (Moralia, Boek 32; Job 40:3-5). Gregorius onderbouwt met Prediker 7:23 het door Job verkregen inzicht naar het zoeken van de weg naar God en het behoud van het geloof in God.

Overlevering van Gregorius' tekst

Dat het werk van Gregorius populair was in de Middeleeuwen, blijkt uit de vele honderden overgeleverde handschriften afkomstig uit kloosterbibliotheken (Adriaen 1979, xiv-xxix). De productie lag voornamelijk in de periode 1100-1400. De Moralia-handschriften werden vervaardigd in opdracht van rijke particulieren en ten behoeve van klooster- en kerkbibliotheken (Ker 1972, 77; Gerritsen-Geywitz 1984, 50-52).

Zowel het bijbelverhaal Job als de Moralia zijn een inspiratiebron voor kunstenaars en beeldhouwers geweest. Dat blijkt uit de vele overgebleven illuminaties, fresco’s en sculpturen met Job als onderwerp. Dat de Moralia zo populair waren, zou onder meer voortkomen uit de legende dat de teksten van Gregorius goddelijk geïnspireerd waren. De Heilige Geest verscheen in de vorm van een duif aan Gregorius en fluisterde hem de tekst in (Van der Horst 1984, 35).          

35 initialen

Hs. 87 bevat 35 hoofdstukken (hierna te noemen: Boeken) en elk Boek vangt aan met een in bladgoud versierde initiaal. Van de 35 initialen zijn twaalf gehistorieerde initialen (voorstellend een tafereel uit het bijbelverhaal Job), twaalf gedecoreerde initialen met drôlerie-achtige figuren en elf gedecoreerde initialen met sier- en plantmotieven. Van elk van deze drie soorten initialen zijn de gedecoreerde initialen met vreemde wezens degene die kunnen bijdragen aan de beantwoording van de inleidende vraag welke relatie de drôlerieën hebben met de tekst van de Moralia. Enkele voorbeelden zullen hier nader besproken worden.

Twaalf gehistorieerde initialen

Boek 3 (gehistorieerde initiaal ‘B’ fol. 32v).

God spreekt met de duivel, of eigenlijk Dracontopes (Van der Horst 1989, 14): een fabeldier in de gedaante van een menskoppige draak, met hanenpoten als voeten en drakenvleugels als armen. Boven zijn staart is een gezicht met dierlijke trekken waar te nemen: de duivel vertegenwoordigt de omgekeerde wereld (Gerritsen-Geywitz 1984, 63). God is afgebeeld als een oude man met grijze volle baard en draagt een mauve mantel. Zijn kruisnimbus is van glanzend bladgoud. God legt in dit gesprek het lot van zijn trouwste dienaar, Job, in handen van de duivel. De duivel wil God bewijzen dat zelfs de vroomste man op aarde God zal afzweren als hij met ziekte en tegenslag te maken krijgt (Job 2:1-6). Jobs rechtschapenheid zal hiermee getest worden. De duivel is van mening dat Jobs godvrezendheid slechts weggenomen kan worden, wanneer God zijn zegen en bescherming van Job wegneemt. Job zal zich tegen God keren, zegt de duivel, als alles wat hem lief is wordt ontnomen.

God doet niet uit volle overtuiging mee met de beproeving van Job. Ze komen daarom overeen in ieder geval het leven van Job te sparen. Zijn huis en haard zullen verzwolgen worden door brand en natuurgeweld. Job zal in het bijbelverhaal zijn lot gelaten aanvaarden en is bereid zonder protest het kwaad uit Gods hand te aanvaarden. Hoe hoort een rechtvaardig man tijdens zijn lijden immers te reageren op en te spreken over de kwellingen die hem worden aangedaan?

Gregorius beschrijft waarom God instemt met het laten beproeven van zijn trouwste dienaar Job door de duivel. De duivel, symbool voor het kwaad, twijfelt aan het onlaakbare ontzag dat Job voor God heeft en dat hij Hem niets ongerijmds toeschrijft (Job 1:9). Gregorius trekt hierbij de vergelijking tussen Job en Lucas in Lucas 16:25.

Boek 8 (gedecoreerde initiaal ‘P’ fol. 79v).

Job ligt op een zandheuvel met daarachter een kasteelachtig gebouw omringd door bomen. Hij is vrijwel naakt met slechts een lendendoek om. Zijn lichaam is overdekt met bulten. Zijn linkerhand heft hij op in een spreekgebaar, zijn rechterhand ligt losjes over zijn heup om zijn lendendoek vast te houden. Deze afgebeelde houding is kenmerkend voor een droevige gemoedstoestand (Garnier 1982-1989, 183). Gregorius legt aan de hand van Jobs overtuiging uit dat hij onschuldig is en dat ‘God onschuldigen nooit zal verachten’ (Job 8:20). God is rechtvaardig en Hij zal rechtvaardigheid belonen (Job 8:6-8). Job dient te berusten in zijn lot en moet lijdzaam wachten tot hij gezuiverd wordt van alle blaam.

Boek 35 (gedecoreerde initiaal ‘Q’ fol. 334v).

Job spreekt hier met God; biddend en dankend. Hij voelt zich overweldigd en erkent de grootheid en rechtvaardigheid van God, maar toont geen berouw voor zijn gevoel van onrechtvaardigheid van het - door hem als onverdiend bestempeld - lijden dat hem mede door God is aangedaan. Hij zwijgt na het zien van God en beaamt dat hij tekort is geschoten in kennis. Maar Job krijgt niet echt antwoord van God op zijn vragen en zal die ook niet krijgen. Job bidt voor zijn drie vrienden (Elifaz, Sofar en Bildad), zoals hem is opgedragen door God, omdat zij niet passend hebben gesproken over Hem.

De tekst op het lichtblauwe achterbord van het huisaltaar luidt: unum crede deum nec vane iura per ipsum sabata sanctifices habenas in honore parentes (Geloof in één God en zweer niet ijdel bij Hem. Behandel de sabbat als heilig. Eert uw ouders).

Dit is het begin van de De decem preceptis (Walther 1969, nr. 19669), een versvorm van de tien geboden (Deuteronomium 5:6-21), en impliceert de godvrezendheid van Job. De Moralia besluit met het geven van de meest nederige betekenis aan het menselijke lijden. Door de opstandigheid en vasthoudendheid tijdens het lijden van Job wordt aangegeven waar het in het christelijke geloof om dient te gaan: niet om het verwerven van gunst en voorspoed, maar om het verkrijgen in een dieper geloof in het christelijke gedachtegoed.

Twaalf gedecoreerde initialen

Boek 1 (gedecoreerde initiaal ‘V’ fol. 16v) en Boek 19 (gedecoreerde initiaal ‘Q’ fol. 183v).

Deze initialen blijken ook een relatie met de tekst te hebben. De appeletende, naakte man, komt tweemaal voor in het handschrift (Boek 1 en Boek 19). Centraal in de Moralia staat de ziel die op de proef gesteld wordt en de hemelvaart van de ziel. In Boek 1 wordt een indirecte verwijzing gemaakt naar de zondeval, en de vruchtetende man van Boek 1 en 19 zou een verwijzing kunnen zijn naar Adam en Eva die in het Paradijs eten van de verboden vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad, en zodoende het verlies van de gunst van God verspeelde, met de zondeval tot gevolg. In Boek 19 wordt een verwijzing gemaakt naar het ‘Lied van de Wijsheid’, de kennis die niet vindbaar is voor de mens, net zo min als het Job ontbrak aan enige samenhang of betekenis van Gods daden voor zijn lijden.

Boek 24 (gedecoreerde initiaal ‘H’ fol. 225r).

Een paars monster met een menselijk, grimmig kijkend gezicht met grote kromme neus heeft een gele gelokte baard en ‘punt’-oren. Roze acanthusbladeren sieren zijn rug, nek en hoofd. Gregorius legt in dit Boek 24 een verband tussen het mentale gevecht van Job en de waarheden en onwaarheden over God in relatie tot Christus de Bemiddelaar. Het past de middeleeuwse tijdgeest om een verwijzing naar de joden te maken als zijnde de aanstichters van het kwaad. Indirect werd dit uitgebeeld door een duivelsfiguur met gele baard (en gezicht), alsmede de karikaturale neus.

De ‘punt’-oren worden weergegeven zoals men in de Middeleeuwen de oren als hoornen van een duivel afbeeldde. Vanaf 1215 (Concilie van Lateranen) werden de joden verplicht om zichtbaar een geel kledingstuk te dragen en zo zichtbaar te zijn in de samenleving als vertegenwoordiger van het joodse volk. Met de kleur geel en de uiterlijke kenmerken in afbeeldingen werd zo verwezen naar het kwaad: in de christelijke context was dat het joodse volk. Opmerkelijk detail is dat men van Gregorius weet dat hij juist tolerant was ten aanzien van de geloofsbeoefening van de joden. Zo vermaande hij de bisschoppen die synagoges sloten en joden gedwongen lieten dopen.

Boek 27 (gedecoreerde initiaal ‘Q’ fol. 251v).

In Boek 27 ziet men een gelijkende drôlerie als in Boek 24. Nu komt er alleen boven het hoofd nog een leeuwachtig figuur uit, spelend op een schalmei. De fantasiefiguur heeft net als de duivel een gezicht met dierlijke trekken op zijn lijf. In dit geval een geel gezicht met een kromneus. Ook hier gaat het om de verwijzing naar de joden door de verbeelding van het kwaad en de hel in het gezicht op buik of achterste; een iconografische weergave die de christelijke middeleeuwer meteen begreep.

Boek 23 (gedecoreerde initiaal ‘P’ fol. 217r) en Boek 29 (gedecoreerde initiaal ‘D’ fol. 270r).

Ook tweemaal voorkomend in Hs. 87 is de tonguitstekende draak (Boek 23 en Boek 29). De draak met een menselijk bebaard hoofd, steekt zijn tong uit, heeft vleugels en poten. De krul op het hoofd wordt ook teruggezien bij draken in het getijdenboek van Katherina van Kleef (New York, Pierpont Morgan Library, Ms. M. 945, fols. 28r en 60v en M. 917, pp. 9, 11 en 57). De verwijzingen naar de elementen uit de wereld van het kwaad zullen uiteindelijk geen bron van zorg zijn: de kwaden zullen onschadelijk gemaakt worden door God. De relatie tussen Job en de draken wordt gesymboliseerd door Job als ‘broeder van de draken’ (die staat voor de rechtvaardigheid in de wereld) en het gedwongen leven tussen de verwerpelijken, namelijk het leven onder de joden die zijn uitgebeeld in de gedaante van de duivel. Gregorius verzamelde bijbelse verwijzingen naar monsterlijke dieren om het slechte karakter van de duivel te kunnen duiden (Robert 1998, p. 577).

Beeldtradities

De gehistorieerde initialen volgen grotendeels een al bestaande iconografische beeldtraditie. Uit onderzoek is gebleken dat in overgeleverde Moralia met een beeldencyclus een verhaallijn is weergegeven met een gelijksoortige weergave van de belangrijke gebeurtenissen omtrent Jobs lijden. Dit is ook het geval in Hs. 87 (Peeters-Nunes 2014, p. 77). In Hs. 87 leggen enkele initialen eigen thematische accenten door een nieuwe weergave van de historische figuren, maar ze blijven een onderling verband houden. Met de nieuwe weergave werd afgeweken van de iconografische traditie. Deze vernieuwing is te herkennen in Hs. 87 aan afbeeldingen van Job met ieder zijn drie vrienden apart afgebeeld in plaats van Job met zijn drie vrienden tesamen, zoals gebruikelijker was. Ook wordt er, naast de traditionele weergave van Job’s vrouw aan het begin van zijn lijden, later een tweede vrouw afgebeeld. Wellicht heeft de tweede vrouw een andere, nader te onderzoeken, iconografische betekenis of is zij de personificatie van een in onze tijd onbekende beeldspraak. De afwijkingen in de beeldencyclus zouden mogelijk ontstaan zijn doordat verschillende verluchters aan het handschrift werkten en eigen interpretaties toevoegden.

Hiërarchie

Bij de twaalf drôlerie-achtige initialen bleek dat de iconografische traditie niet gevolgd werd. De reden zou kunnen zijn, omdat het betreffende hoofdstuk uit het Bijbelverhaal als minder belangrijk werd beschouwd en om die reden minder uitbundig in de Moralia gedecoreerd werd. De drôlerie-achtige initialen geven wel een relatie aan tussen tekst en beeld, hetzij minder duidelijk als bij de gehistorieerde initialen. Een voorbeeld hiervan is de verwijzing naar het opnemen van de zielen in de zielenhemel (het paradijs) met de serafijnen (Boek 31, ‘I’ fol. 292v). Wellicht dat de verluchter indirect deze initialen als ‘gehistorieerd’ wilde bestempelen en hiermee toch een duidelijke functie of status in de initialenhiërarchie wilde geven.
Bij de elf initialen van de Boeken van de Moralia die versierd zijn met sier- en plantmotieven is geen relatie tussen tekst en beeld aangetroffen. Dit is geheel in overeenstemming met de hiërarchie van de initialen: de gedecoreerde initialen met sier- en plantmotieven staan lager in rang zijn dan de initialen met dier- en mensmotieven, die op hun beurt de minder belangrijke Boeken vertegenwoordigen dan de gehistorieerde initialen van de belangrijkste Boeken.

De Meester van Katherina van Kleef

Er zijn diverse overeenkomsten te vinden tussen de gedecoreerde initialen van de Moralia en die in het getijdenboek van Katherina van Kleef, zoals de twee tonguitstekende draken, de twee vruchtetende mannetjes en de serafijnen. Daarnaast zijn er vergelijkbare motieven gevonden in twee handschriften van de collectie van het Utrechtse Catharijneconvent, ABM h15 en BMH h165 (cf. Dückers en Priem 2009, 174-7).
Hierdoor ontstaat een sterk vermoeden dat de decoraties van Hs. 87 in en/of uit de omgeving van het atelier van de Meester van Katherina van Kleef gezocht moeten worden. Dit vermoeden is gebaseerd op basis van enkele stilistische kenmerken, zoals het gebruikte kleurenpalet en dezelfde houdingen en poses van figuren (soms spiegelbeeldig). Hoeden en kleding lijken overeen te komen, evenals de afgebeelde accessoires. Het zou duiden op het gebruik van sjablonen (Hintzen 1921, 37).

Als men kijkt naar de initialen van de Boeken 17, 30 en 32, zou er sprake kunnen zijn van een tweede of zelfs derde verluchter. De genoemde initialen wijken stilistisch af voor wat betreft de gedetailleerde uitwerking van de figuren (bijvoorbeeld een ander type Job), het kleurgebruik en het nalaten van bladgoud ten opzichte van de overige initialen. Het lijkt erop dat de Boeken 17, 30 en 32 in de omgeving van het atelier van de Meester van Katherina van Kleef zijn vervaardigd en niet in het atelier zelf. De initialen van de Boeken 25 en 26 zouden volgens Gisela Gerritsen-Geywitz later zijn toegevoegd. Er valt volgens haar ook niet aan de initialen af te lezen zijn van welke verluchters deze afkomstig zijn (Gerritsen-Geywitz 1984, 50-52, 61-63).

Penwerk: Gouda of Utrecht?

In drie series in Hs. 87 zijn initialen versierd met penwerk: met pen en in inkt getrokken sierlijnen in rood en blauw van initialen met eventuele uitlopers langs de kolom en in de rand (As-Vijvers 2009, 45). Het gaat om de Proloog, de Prefacio en de Tabula (resp. fols. 2r, 14r-16v en 342r-384v). Het penwerk vormt een hulpmiddel bij het lokaliseren en dateren van middeleeuwse handschriften, met name voor de Noordelijke Nederlanden.

Aan de hand van de uitwaaieringen van het penwerk in de ondermarge en de getrokken sierlijnen kan geconcludeerd worden dat het Gouds penwerk betreft uit de periode 1425 tot 1450. Dit penwerk wordt gekenmerkt door ‘slangenkopjes’, ‘radijsjes’ en naar elkaar toegebogen lijnen, soms aan het einde van een lange gebogen lus met een puntige lijn naar binnenbuigend en/of een buigende krul naar de initiaal toe, het zogenaamde ‘dasclip-motief’ (Korteweg 1992, 9).

Vervaardiging

Aan de hand van het penwerk en de inscriptie zou de vervaardiging van Hs. 87 als volgt in zijn werk zijn gegaan: de tekst van de Moralia werd gekopieerd in Gouda. Als het penwerk namelijk afkomstig is uit Gouda, dan lijkt het logisch dat het handschrift eveneens in een van de kloosters in of bij Gouda door monniken is opgemaakt. Mogelijk zou dit het Regulierenklooster Emmaus in Stein bij Gouda geweest kunnen zijn dat daar rond 1447 gevestigd was (Korteweg 1992, 68-77).

Omdat het penwerk streek- en locatiegebonden is, en men voor de verluchting vanwege het ontbreken van verluchters niet in Gouda terecht kon, werd dit vermoedelijk uitbesteed aan specialisten in de stad Utrecht: de Meester van Katherina van Kleef of verluchters uit zijn omgeving. Toen het handschrift klaar was, werd het in of kort na 1448 geschonken door Gherardus de Vloeten aan een klooster. Het vers, genoteerd op fol. 1v, vermeldt Nobis gherardus de vloeten vir venerandus De Job egregia moralia contulit ista. Daarna is het handschrift ingebonden op een door de Regulieren kenmerkende wijze en werd het voorzien van een eigendomsinscriptie Pertinet ad regulares in Traiecto (Behoort toe aan de Regulieren in Utrecht). Het is evenwel niet aangetoond dat de informatie uit beide inscripties samengevoegd kan worden om te concluderen dat Gherardus de Vloeten het handschrift aan het Regulierenklooster heeft geschonken. Maar het ligt voor de hand te veronderstellen dat er een verband bestaat tussen de makers en ontvangers van het handschrift: (over)geschreven door de Regulieren in Stein, gemaakt voor de medebroeders in Utrecht.

Verder lezen

  • Adriaen, M., S. Gregorii Magni, Moralia in Job, Libri I-XXXV. 2 vols. Corpus Christianorum, Series Latina 143 & 143A  (Turnhout, 1979).
  • As-Vijvers, A.M.W., De hand van de meester. Het Getijdenboek van Katherina van Kleef (Antwerpen, 2009).
  • Blom, C., Zonder grond onder de voeten (Zoetermeer, 2009).
  • Dückers, R., & R. Priem, The Hours of Catherine of Cleves. Devotion, demons and daily life in the fifteenth century (Antwerpen, 2009).
  • Garnier, F., Le langage de l’image au moyen âge. Vol. II: Grammaire des gestes (Parijs, 1982).
  • Gerritsen-Geywitz, G., ‘Regulierenklooster’, in: K. van der Horst, et al. (ed.), Handschriften en oude drukken van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek (Utrecht, 1984), p. 50-71, 72-75, 76-79.
  • Hintzen, J.D., ‘De geminieerde handschriften der Utrechtsche Universiteits-Bibliotheek’, in: Het boek 10 (1921), p. 1-13.
  • Horst, K. van der, ‘Het kartuizerklooster’, in: K. van der Horst, et al. (ed.), Handschriften en oude drukken van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek (Utrecht, 1984), p. 26-44, 48.
  • Horst, K. van der, Illuminated and decorated medieval manuscripts in the University Library, Utrecht (Maarssen & Den Haag 1989).
  • Ker, N.R., ‘The English manuscripts of the Moralia of Gregory the Great’, in: A. Rosenauer et al. (ed.), Kunsthistorische Forschungen, Otto Pächt zu seinem 70. Geburtstag (Salzburg, 1972), p. 77-89.
  • Korteweg, A.S. (ed.), Kriezels, aubergines en takkenbossen (Den Haag, 1992).
  • Peeters-Nunes, M.S.M., De moraal van Job: een 15e-eeuws ‘Moralia in Job’ handschrift (Hs. 87) uit de Universiteitsbibliotheek Utrecht (Masterscriptie) (Utrecht, 2013).
  • Robert, H.E., Encyclopedia of comparative iconography: themes depicted in works of art, Vol. 2, (Chicago 1998), p. 576-577.
  • Terrien, S., The iconography of Job through the centuries. Artists as biblical interpreters (University Park, PA, 1996).
  • Walther, H., Initia carminum ac versuum medii aevi posterioris latinorum; alphabetische Verzeichnis der Versanfänge mittellateinischer Dichtungen (Carmina medii aevi posterioris latina I) (2de ed., Göttingen 1969).
15e-eeuw
Handschrift
Mirelle Peeters-Nunes, Februari 2015
Ms. 87, voorplat
Ms. 87, proloog
God en de duivel, Ms. 87 fol. 32v
Job op de zandheuvel, Ms. 87 fol. 79v
Job dankt God voor een altaar, Ms. 87 fol. 334v
Naakte man eet een appel, Ms. 87 fol. 6v
Naakte man eet een appel, Ms. 87 fol. 183v
Een paars monster met een mensengezicht, Ms. 87 fol. 225r
Fantasiefiguur bespeelt de schalmei, Ms. 87 fol. 251v
Draakfiguur, Ms. 87 fol. 217r
Draak steekt zijn tong uit, Ms. 87 fol. 270r
Initiaal met bloemen, Ms. 87 fol. 144r
Zielen in de zielenhemel, Ms. 87 fol. 292v

Gregorius Magnus, Moralia in Job (Hs. 87) (3 A 3)

  • Gouda en Utrecht, kort voor of in 1448.
  • Perkament, 384 bladen, ca. 400 x 290 mm.
  • Gotische hybrida.
  • Latijn.
  • 12 gehistorieerde initialen, 12 gedecoreerde initialen, 11 initialen, penwerk.
  • Oorspronkelijke vijftiende-eeuwse band van bruin kalfsleer met ruitpatroon van driedubbele filetlijnen; de platten zijn voorzien van vijf koperen knoppen.
  • Geschonken door Gherardus de Vloeten in 1448 aan een religieuze instelling, zeer waarschijnlijk het Regulierenklooster Utrecht.
  • Het handschrift werd na het sluiten van het Regulierenklooster in 1584 opgenomen in de stadsbibliotheek in de St. Janskerk, de voorloper van de Universiteitsbibliotheek Utrecht.