Een lectuurgids voor vrouwen uit 1795

‘Er is niets nieuws onder de zon’, zei Salomo, en hij wordt instemmend geciteerd in De Recensent voor Vrouwen van 1795 (deel 2, p. 80). Het is een prachtige Bijbelse wijsheid waar ik me graag bij aansluit, al is het anno 2015 wél nieuw dat we De Recensent voor Vrouwen weer kunnen lezen. Tot voor kort was het tijdschrift onvindbaar (Jensen 2001, p. 41-45 en 246). Onlangs echter heeft Paul Pestman, catalogiseerder bij de Universiteitsbibliotheek Utrecht, dit zoek gewaande tijdschrift aangetroffen in een convoluut.

‘Jammerlijk ontbreken’

Dat is goed nieuws, want Nederlandse tijdschriften voor een vrouwenpubliek uit de 18de eeuw zijn schaars. Suzanne van Dijk en Dini Helmers spraken in 1991 zelfs van een ‘jammerlijk ontbreken van een oorspronkelijke vrouwenpers in Holland’ voor de 18de eeuw (Van Dijk & Helmers 1991, p. 71-88, aldaar 80). Literatuurhistorica Lotte Jensen, in 2001 gepromoveerd op vrouwentijdschriften en vrouwelijke journalisten in de 18de en 19de eeuw, sluit zich hierbij aan. Zij vond voor de 18de eeuw slechts vijf vrouwentijdschriften van Nederlandse bodem, en alle vijf waren slechts een kort leven beschoren. Eén van die vijf was De Recensent voor Vrouwen. Omdat het blad onvindbaar was, kon Jensen niets zeggen over de inhoud, behalve dat er een recensie in gestaan moet hebben van De geschiedenis der menschheid (1793) van Petronella Moens – daar werd namelijk elders naar verwezen. Jensen spreekt het vermoeden uit dat het tijdschrift waarschijnlijk vooral boekbesprekingen heeft bevat, gelet ook op de titel, maar ze kan niet zeggen of die boekbesprekingen vooral door vrouwen geschreven werk betroffen. In het algemeen, aldus Jensen, speelde ‘amusement’ een grote rol in deze eerste vrouwentijdschriften; moeilijke onderwerpen als politiek werden bewust vermeden. Ook probeerde men met deze bladen een ‘specifiek vrouwelijke lees- en schrijfgemeenschap’ te creëren: de dames werden aangespoord ook zelf kopij te leveren (Jensen 2001, p. 52).

Een tijdschrift voor én door vrouwen?

Met de vondst van een exemplaar van De Recensent voor Vrouwen verandert op zichzelf niets aan deze schamele oogst van vrouwenbladen in 18de-eeuws Nederland. We wisten al van het bestaan ervan, en nog steeds blijft het aantal periodieken dat zich speciaal op vrouwen richtte, hier te lande opmerkelijk gering in vergelijking met de buurlanden Engeland (26), Frankrijk (17) en Duitsland (115) (Jensen 2001, p. 26). Daar gaat het nu alleen niet om. Erg succesvol is De Recensent voor Vrouwen sowieso niet geweest, want het maandblad, een uitgave van de Amsterdamse J. Allart (prijs: vijftig cent), hield na twee afleveringen alweer op te bestaan. Maar nu een exemplaar van deze twee afleveringen van De Recensent voor Vrouwen is teruggevonden, kunnen we wel kijken naar de inhoud ervan. Was het vooral amusement, werden moeilijke onderwerpen gemeden, werden vrouwen opgeroepen om ook zelf de pen ter hand te nemen? Met andere woorden, wat was de toon van het blad? Wilde men de vrouwen op hun plaats wijzen of juist verheffen? En recenseerde men vooral door vrouwen geschreven werken, zoals Jensen met de nodige voorzichtigheid vermoedt?

De vorming van hart én verstand

De Recensent voor Vrouwen begint met een zeer kort woord van de uitgever aan de ‘vaderlandsche leezeressen’: iedere maand wil hij een geschrift wijden aan ‘uwe bevallige Sexe’. Hart én verstand zullen ermee gevormd worden, en hij hoopt dat ook de lezeressen bijdragen zullen gaan leveren. Hierop volgt een brief van ‘de redacteur’ aan ene Amelia. Hij had hem nog liggen, beweert hij, en waarom zou je een voorrede schrijven als alles al in die brief staat? Meermalen had Amelia hem gevraagd waarom de heren toch nooit eens wat voor vrouwen schrijven: ‘Wij vrouwen, mogen wij dan ook niet weten, wat er in de geleerde waereld over ons gezegd en geschreven wordt?’ Ja, dat vindt onze redacteur ook, en zo vatte hij het plan op om een blad te beginnen met recensies over werken die de vrouwelijke sekse betreffen of interesseren. Goede boeken moeten het zijn, en die recensies zullen worden afgewisseld met ‘mengelingen’ van allerlei aard; ernst en onschuldige boert zullen elkaar afwisselen. Dit alles dus, laat daar geen misverstand over bestaan, ‘om de goeden smaak onder uwe kunne te helpen uitbreiden’.

Recensies

Deel 1 bevat recensies van achtereenvolgens Johannes F. Martinet, Huisboek voor vaderlandsche huisgezinnen (1793), de vertaling door Gerrit van der Voort van F.G. Marezoll, Aandachtsboek voor vrouwen (1789), de al genoemde Petronella Moens, Geschiedenis der menschheid (1793), Rhynvis Feith, Lady Johanna Graij. Treurspel (1791) en de redevoering van Jacobus Kantelaar, Over den invloed der waare Verlichting op het lot der vrouwen en het huwelijksgeluk (1793). In deel 2 staat het vervolg op de bespreking van Martinets Huisboek, vervolgens is er een bespreking van de verkorte editie van De vaderlandsche historie (1793) van Jan Wagenaar, deel 1 van de Beknopte natuurlijke historie der zoogende dieren (1793) van J.D. Pasteur, Het lijden der Ortenbergsche familie (1793/1794) van A. Kotzenbue en het toneelstuk Catharina Herman (1793) van Jan J. Vereul.

‘De voordeelen des gezelligen levens’

Dit zijn dus de boeken die de heren van De Recensent voor Vrouwen geschikte lectuur achten voor hun lezeressen. Ze gaan over zaken die vrouwen aangaan (etiquette, het huisgezin, huwelijksgeluk) of over vrouwen (Lady Gray, Catharina Herman), of ze zijn leerzaam (vaderlandse geschiedenis, zoogdieren). Moeilijke onderwerpen als staatkundige geschiedenis of de islam worden niet per se uit de weg gegaan – in dat opzicht kan de uitspraak van Lotte Jensen worden genuanceerd – maar moeten wel worden aangepast aan de smaak en behoefte van vrouwen. In de bespreking van Wagenaars De vaderlandsche historie citeert De Recensent voor Vrouwen daarom opnieuw uitgebreid uit zijn gesprekken met Amelia (zie hierboven): uit de lotgevallen van personen en volken kan de jeugd opmaken ‘wat zij aan zich zelve, aan het menschdom, aan het huisgezin, en ander betrekkingen, en bijzonderlijk aan dat land verschuldigd is, alwaar zij de voordeelen des gezelligen levens geniet’. Geldt dat ook voor onze sekse, vraagt Amelia. ‘Ja’, zegt De Recensent, ‘uw sexe [staat] in dit geval volkomen gelijk met de onze’ (p. 61).

Klad

Opvallend is dat De Recensent voor Vrouwen er in de eerste aflevering redelijk in slaagde om de lezeressen ook expliciet als vrouwen aan te spreken. In de tweede aflevering komt daar al een beetje de klad in: de bespreking van het werk over zoogdieren van Pasteur bijvoorbeeld wordt vooral aangeprezen omdat het zo leerzaam is – wat vrouwen er speciaal mee moesten, wist de schrijver van de recensie kennelijk ook niet zo goed. Slechts een van de besproken titels is door een vrouw geschreven (Moens). Daarmee is meteen een van de boven geopperde vragen beantwoord: nee, De Recensent voor Vrouwen richtte zich niet speciaal op door vrouwen geschreven werken.

Negentiende kind

Het mengelwerk bevat leerzame stukken zoals een beschouwing ‘Over de bestemming der vrouwen’, een uitgebreide verhandeling over de verschillende werelddelen, een levensschets van de beroemde Anna Maria van Schurman (met de onvermijdelijke spijt dat deze geleerde vrouw is gezwicht voor de dweepzieke Labadie), het verhaal van de moedige echtgenote van Sachsenhausen, en wat lichtere stukjes, zoals een oosterse geschiedenis, een arcadisch tafereeltje en bijzonderheden van een ‘fruitvrouw’ uit Parijs die zwanger was van haar negentiende kind. Zo zijn er meer bijdragen die duidelijk zijn bedoeld als amusement, zij het dat de morele boodschap nooit helemaal ontbreekt – ook van verhaaltjes kan men leren. Tot slot staat in dit mengelwerk tevens een ‘vrouwelijke bespiegeling’ over eenzaamheid en een ‘Ode aan God na een onweder’ (inclusief bladmuziek). De bespiegeling over eenzaamheid is één lange oproep aan vrouwen om de eenzaamheid te zien als een ‘school der wijsheid en deugd’. God is daarbij onmisbaar, maar vooral ook worden de lezeressen opgeroepen om rust bij zichzelf te zoeken; het lijkt wel een oproep tot mindfulness!

De bestemming der vrouwen

Vele passages in de ruim 85 bladzijden (de nummering is een zootje) zijn buitengewoon interessant, veelzeggend, frappant en verbijsterend. Meer dan eens gaat het over ‘beuzelachtigheid’, ‘beuzelarijen’, ‘verbeuzelingen’ – dat waren in die tijd kennelijk dé begrippen waarmee men een onnuttig leven kwalificeerde waartoe vrouwen soms gedwongen werden. In de bijdrage ‘Over de bestemming der vrouw’ worden kritische noten gekraakt over oosterse culturen, waar de mannen zijn als despoten zijn en vrouwen in hun harems opsluiten. Daar kwijnen vrouwen weg en ‘verbeuzelen’ hun levens. Maar ook in de westerse traditie bestaat al eeuwenlang de neiging bij mannen om te doen alsof zij de baas zijn, en vrouwen daarom alleen maar op aarde zijn om hén te behagen.

Slavernij

Zo is de verwerpelijke gedachte ontstaan dat vrouwen ledig’ mogen zijn en vrij kunnen ‘beuzelen’. In dat verband valt ook het woord slavernij: de laatste vonken van talent en genie worden zo bij vrouwen uitgedoofd! Zeker, de man heeft in het huwelijk gezag over de vrouw, maar die huwelijksband ‘verlaagt toch de vrouw nimmer tot den staat eener geheel afhanglijke slaavin. – Vrouwen! Kent toch eenmaal uwe waarde!’, aldus De Recensent voor Vrouwen (Mengelwerk, 1-6). De bestemming van de vrouw is om moeder te worden, en daarmee ‘nutte burgers en burgeressen’ aan de staat te leveren. Maar De Recensent begrijpt ook wel dat niet alle vrouwen dit ‘geluk’ ten deel zal vallen. Duizenden vrouwen die ongetrouwd of kinderloos blijven, worden gedwongen om hun tijd te verkwisten, terwijl het Opperwezen toch ook de vrouwen met een ‘redenlijken geest’ heeft begiftigd. Ze zouden de samenleving tot zegen kunnen zijn.

Bron voor het denken over de positie van vrouwen

Zo zijn nog veel meer pakkende uitspraken aan te halen uit dit teruggevonden tijdschrift, maar deze moeten volstaan. Het is eeuwig zonde dat het blad na twee afleveringen ter ziele is gegaan, want het is als bron voor het denken over de maatschappelijke positie van vrouwen en haar capaciteiten zó interessant! De twee afleveringen van De Recensent voor Vrouwen geven een prachtig kijkje in de keuken van het laat-18de-eeuwse denken in Nederland over vrouwen en hun maatschappelijk vermogen, en het is dan ook een goede zaak dat ze hier digitaal en online worden aangeboden. De sfeer die ze ademen, is die van utilitarisme, vooruitgangsgeloof, optimisme, huiselijkheid en christendom, met een vleugje egalitarisme, wil tot verandering en – belangrijk! – veel oog voor de aanleg van de mens. Wie schuilgaat achter de bijdragen, blijft onduidelijk. Daar ligt nog een voor onderzoekers braakliggend terrein.

Verder lezen

1795
Tijdschrift
Els Kloek, juni 2015
Titelpagina 'Recensent voor vrouwen', 1795
Opdracht aan een zekere Amelia, 'Recensent voor vrouwen', 1795
Levensschets van Anna Maria Schurman, 'Recensent voor vrouwen', 1795
Ode aan God na een onweersstorm, 'Recensent voor vrouwen', 1795
Gedicht op het huwelijk, 'Recensent voor vrouwen', 1795
Bespiegeling op de eenzaamheid, 'Recensent voor vrouwen', 1795

De recensent voor vrouwen. - No. I. 1795-No. II.1795. - [Amsterdam : J. Allart], 1795 (Utrecht UB, MAG: Br *CXLIII* dl 4: AFL 1 (1795) - AFL 2 (1795))