Een verknipt evangelie

Verknipt, beklad, gesneden, gescheurd, geschonden ... Ook al geldt het evangelie als Heilig Schrift, er wordt niet altijd zorgvuldig mee omgesprongen. De Codex Boreelianus laat zien dat een oud handschrift niet altijd op zijn waarde werd geschat. Terwijl het werd toegetakeld, waren er anderen juist naar op zoek.

Van Constantinopel ...

Wie naar de Codex Boreelianus kijkt, ziet gelijk dat  hij niet in het Latijnse schrift is geschreven. De schrijver gebruikte Griekse letters in een hoofdletter- of majuskelschrift, zoals dat gangbaar was in Constantinopel rond het jaar 1000. De Codex omvat de tekst van het evangelie van Matteüs, Markus, Lucas en Johannes, geschreven in twee kolommen. Alleen bij het begin van de evangelies werd er decoratie aangebracht. Verder zijn er kopjes in goud of rood.

Dit is echter niet zomaar een evangelie. Het handschrift werd gebruikt voor de liturgie, de eredienst in de kerk. Dit is te zien aan de notities van verschillende schrijvers, die bijvoorbeld verwijzen naar passages die op bepaalde feestdagen werden voorgelezen. Er is ook een notitie in het Arabisch, en ook sommige katernen (bundels samengebonden bladen) zijn in Arabisch schrift genummerd.

... naar Zeeland

Het wordt verondersteld dat het handschrift uit het Oosten is meegenomen door Johannes Boreel (1577-1629). Boreel schopte het van student recht en theologie tot raadspensionaris van Zeeland. Het is ook bekend dat hij in het Midden-Oosten had gereisd. Het handschrift zelf geeft echter geen aanwijzingen dat Boreel ooit de eigenaar is geweest. Ook zijn er geen andere verwijzingen hiernaar, behalve in de geschriften van Johann Jakob Wettstein.

Deze theoloog wilde de oorspronkelijke Griekse tekst van het Nieuwe Testament reconstrueren aan de hand van oude handschriften. Hij was dan ook geïnteresseerd in een transcriptie die Izaak Verburg in 1730 had gemaakt van een Grieks handschrift van het evangelie. Uit deze transcriptie blijkt dat het om het handschrift gaat dat nu bekend is als Utrecht, Universiteitsbibliotheek, Hs. 1. En omdat Wettstein noteert dat dit handschrift in het bezit was geweest van Johannes Boreel, heeft het als bijnaam Codex Boreelianus gekregen.

Zoeken en vinden

Toen Wettstein de tekst van de Codex Boreelianus gebruikte voor zijn reconstructie van de Griekse tekst van het Nieuwe Testament (hij noemde het 'codex F'), wist hij niet meer waar het handschrift zelf zich bevond. Pas bijna een eeuw later, in 1823, werd het teruggevonden door Jodocus Heringa, professor in de theologie aan de Utrechtse universiteit. Zijn vriend Hendrik Herman Donker Curtius liet hem een fragment zien, en vertelde hem dat het gehele handschrift in het bezit was van het Arnhemse raadslid Johannes Michaelis Roukens.

Toen Heringa het handschrift leende, herkende hij het als Wettsteins 'codex F'. Hoe het in het bezit van de familie Roukens was gekomen, was echter onduidelijk. Heringa bestudeerde het handschrift, en zijn bevindingen werden drie jaar na zijn dood in 1840 gepubliceerd door zijn opvolger, H.E. Vinke. Deze kocht het handschrift ook aan voor de Utrechtse universiteitsbibliotheek.

Een beschadigd evangelie

De Codex Boreelianus is ooit ingebonden geweest, maar bestaat nu uit losse katernen. Uit Wettsteins beschrijving blijkt dat er al het een en ander ontbrak, maar daarna zijn er nog meer katernen en bladen verloren gegaan. Opvallend zijn de ongeveer twintig bladen waarin behoorlijk is geknipt, gesneden of gescheurd.

Wie dit gedaan heeft en waarom is een raadsel. Wellicht zijn het kinderen geweest, getuige de krabbels op 40r en 40v ('Mijn heer de (?)'). Iemand noteerde op 168r 'NB 9 Febr 1756'. De lotgevallen van de Codex Boreelianus totdat Heringa hem vond, zijn moeilijk te achterhalen, maar misschien dat er ooit nog eens een ontdekking wordt gedaan die meer licht op de zaak werpt.

Verder lezen

Links

BJ, 2011
Codex Boreelianus, Hs. 1, 71r
Codex Boreelianus, Hs. 1, 140v-142v
Codex Boreelianus, Hs. 1.

Codex Boreelianus, Hs. 1 (1 A 7).

  • Constantinopel, ca. 1000.
  • Perkament, 217 ff. ca. 280 x 220 mm. Bij het handschrift bevinden zich zes pp. aantekeningen van J.B.O. Pitra (1847) en F.B. Adèr (stierf 1861).
  • Griekse unciaal.
  • Grieks, enige latere toevoegingen in het Arabisch.
  • Miniaturen (71v, 128r, 179r), enige decoratie, kopjes in goud of rood.
  • In losse katernen.
  • Uit de collectie van Johan Boreel (1577-1629). Later in het bezit van Johannes Michaelis Roukens, alwaar het werd onderzocht door Jodocus Heringa Elz. in 1823. Na Heringa's dood in 1840 werd het handschrift gekocht voor de Universiteitsbibliotheek Utrecht door diens opvolger als professor in the theologie, H.E. Vinke.