Utrechtse incunabelen en de boekdrukgeschiedenis van de Domstad (circa 1466-1800)

In 2015 heeft de Universiteitsbibliotheek Utrecht in samenwerking met Utrechtse en Amsterdamse partners de voormalige drukkers en uitgevers uit de Domstad letterlijk en figuurlijk op de kaart gezet. Dit gebeurde in het kader van het project Vroege Utrechtse drukkers op de kaart, 1450-1800, waarvoor een garantiesubsidie werd verleend door het Fentener van Vlissingen Fonds SHV en het K.F.Hein Fonds. Met de oplevering van het project is een geografische interface met een visualisatie van de diverse locaties van de voormalige drukkers en uitgevers tot stand gekomen. Op die manier wordt het Utrechtse drukkersverleden via een ruimtelijk-temporele benadering ontsloten en is tevens een instrument voor de analyse van ruimtelijke ontwikkelingen beschikbaar gekomen. De stad Utrecht heeft in de Noordelijke Nederlanden in de 15de eeuw aan de wieg gestaan van de boekdrukkunst. Een chronologisch overzicht met de belangrijkste incunabelen en hoogtepunten uit de Utrechtse drukkersgeschiedenis.

Begin van de boekdrukkunst in Utrecht: Nicolaes Ketelaer en Gerard de Leempt, Historia scholastica (1473)

In de geschiedenis van de boekdrukkunst heeft Utrecht een mooie primeur: de oudste gedateerde druk in het Nederlandse taalgebied werd hier met zekerheid gedrukt in 1473: toen brachten Nicolaes Ketelaer en Gerard de Leempt (circa 1450-circa 1491) de Historia scholastica van Petrus Comestor op de markt, een Bijbels leerboek over de wereldgeschiedenis, oorspronkelijk geschreven in de 12de eeuw. Van deze druk zijn nog elf exemplaren bewaard, waarvan de Universiteitsbibliotheek in Utrecht er één bezit, afkomstig uit het Utrechtse Regulierenklooster. Deze vroegste drukken werden in het begin vooral ingericht als handschriften, met twee kolommen en open plaatsen om later met de hand nog rode en/of blauwe lombarden te voegen.
In hun colofon schreven Ketelaer en De Leempt: ‘impressa in traiecto [= Trajectum ad Rhenum = Utrecht] inferiori: per magistros Nycholaum keletaer et Gherardum de Leempt. .M.cccc.lxxiij’: gedrukt in Utrecht, door de meesterdrukkers Nicolaus Ketelaer en Gherard de Leempt.

Pagina 'Historia Scholastica'

Prototypografische drukken circa 1466-1473

Maar misschien werden er zelfs al tussen circa 1466 en 1473 boeken in Utrecht gedrukt. Het gaat dan om zogenaamde prototypografische drukken, drukken met losse letters die niet zeker gedateerd en niet zeker gelokaliseerd kunnen worden. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat deze drukken misschien in Utrecht, maar in ieder geval in het Nederlandse taalgebied, zijn verschenen. Eén van deze prototypografische drukken is de druk van het Speculum humanae salvationis, een catechetisch werk over het leven van Jezus en Maria, dat circa 1466-1467 wordt gedateerd. Van dit werk verschenen er verschillende drukken in het Nederlands (GW M43052, druk van 1479; druk van 1483 (GW M43050): ) en in het Latijn (GW M 43002) (zie de links naar een Latijns origineel en een ander Latijns origineel). Een andere druk is de Doctrinale van Alexander de Villa Dei, een leerdicht in het Latijn over de taal, eveneens toegeschreven aan deze zogenaamde ‘drukker van het Speculum humanae salvationis’ (GW 933-936, in het bijzonder 00936IXa met een link naar het origineel. Op grond van de waterkenmerken en het gebruik van de Utrechtse schrijftaal mag men aannemen dat de drukken in Utrecht of in het bisdom Utrecht zijn ontstaan. Er wordt op grond van de prominente status van het Speculum in Bourgondische kringen zelfs aangenomen dat de Utrechtse bisschop (1455-1495) David van Bourgondië de opdrachtgever was.

Drukkers in Utrecht tot en met 1481

In totaal verschenen er in Utrecht tot en met 1481 − als men de prototypografische drukken niet meetelt − 64 drukken, waarvan de genoemde Ketelaer en De Leempt de helft op de pers legden. Ketelaer, afkomstig uit een rijk Utrechts gezin, fungeerde als ondernemer, terwijl de lettersnijder De Leempt voor de goede praktische uitvoering zorgde. Naast Ketelaer en De Leempt waren er in de periode tot 1481 nog circa vier andere drukkers in de stad actief die aangeduid worden als ‘drukker van de Haneron’, ‘drukker van de Alexander Magnus’ of ‘drukker van het Monogram’ (hun werkelijke namen kennen we niet).
Alleen in een enkel geval is de naam bekend, zoals bij Johann Veldener, die, oorspronkelijk afkomstig uit Würzburg, eerst als lettersnijder in Keulen werkzaam was, vervolgens vanaf 1473 als drukker in Leuven en vanaf 1477/1478 in Utrecht. Hij drukte hier in 1480 onder andere de beroemde wereldgeschiedenis Fasciculus temporum van Werner Rolevinck in het Nederlands (de eerste uitgave in het Latijn verscheen in 1474 in Keulen), uitgevoerd met talrijke houtsneden. In de Utrechtse druk is er een supplement toegevoegd dat de gebeurtenissen uit de jongste geschiedenis van Utrecht beschrijft (exemplaren UB Leiden en München). Veldener vermeldt hier ook zijn adres en de datum van de druk: ‘by my volmaect Jan Veldenar woenende Tutrecht opten Dam int jaer Ons Heren 1480 op Sinte Valentijns dach op die vastelavont etc.’ (14 februari 1480).

Jan Berntsz.: drie drukperiodes 1514-1526, 1530-1532, 1535-1542

Nadat Johann Veldener in 1481 naar Culemborg was verhuisd, betekende dit een onderbreking van de Utrechtse boekdruk van meer dan drie decennia, tot 1514. Vanaf dit jaar werkte Jan Berntsz. actief als boekdrukker in Utrecht. Tot 1530 bleef hij de enige drukker in Utrecht. Men gaat ervan uit dat hij zich eerst vestigde bij de Ganzenmarkt ‘achter dat ghevanghen vleyschuys’, tegenwoordig de Annastraat, waar het vleeshuis in de 15de eeuw een nieuwe bestemming had gekregen als gevangenis. Hier drukte hij onder andere een boek van Suster Bertken, de kloosternaam van Berta Jacobs (circa 1426/1427-1514), een waarschijnlijk onechtelijke dochter van de proost van de Pieterskerk in Utrecht, die 57 jaar als kluizenares bij de Buurkerk in Utrecht leefde. Berntsz. werkte ook ‘opden hoec van die Saelstraet’ (circa 1518-circa 1522) en vanaf circa 1523 tot 1532 bij de Maartensbrug, ‘onder den dom’ en ‘onder Sint Maartenstoorn’, een aanduiding voor de huidige Servetstraat. In 1536 vermeldde hij in een colofon ‘Gheprent tot Vtrecht op dien hoec van sint Mertenstoorn in die gulden Leeuw’. 
Berntsz.’ drukproductie kan in drie tijdvakken worden ingedeeld, de eerste loopt van 1514 tot 1526. In deze tijd verschenen 24 drukken van hem, waarvan tien in het Nederlands en veertien in het Latijn, en, heel opvallend, 22 geestelijke werken en twee wereldlijke. In de tweede heel korte periode van 1530 tot en met 1532 verschenen zes drukken, waarvan vijf Nederlandse en één Latijnse, vier geestelijke en twee wereldlijke. De verhouding is dan dus omgedraaid. Ook in de laatste periode van 1535 tot 1542 verschenen meer Nederlandse (elf) dan Latijnse (zes) drukken, waarvan zes geestelijke zoals heiligenlevens en elf wereldlijke. Er is dus een heel duidelijke verschuiving van het Latijn naar de volkstaal en van de geestelijke naar de wereldlijke literatuur vast te stellen.
Berntsz. drukte een missive van paus Adrianus VI (1459-1523) met de titel Brevia apostolica congratulatoria, gedateerd na 1 mei 1522. Van dit boekje bestaat maar één exemplaar, aanwezig in de Universiteitsbibliotheek Utrecht (Utrecht, UB, MAG: H oct 1196 Rariora). Uit een post in de inventaris van het kapittelarchief van de Dom blijkt dat deze druk in een oplage van 1.600 exemplaren verscheen. Het boekje, zo wordt in de erbij gevoegde brief duidelijk, werd in juni 1958 voor de prijs van 715 gulden aangeboden.
Berntsz. onderhield niet alleen nauwe contacten met de geestelijke overheid, ook met de wereldlijke. Hij drukte tevens boeken in opdracht van de regering, waaronder boekjes met een overzicht van de omrekeningskoersen van munten, zoals de Tollerancie ende permissie van d‘evaluacie, die in 1539 verscheen (Utrecht, UB, MAG: L oct 528, dl. 2 (Rariora) (NK 2048). Het Utrechtse exemplaar behoorde tot het bezit van de Utrechtse kanunnik Huybert Edmont van Buchell (1513-1599). Deze bekende boekenverzamelaar schonk na zijn dood 9.000 gulden aan de stad Utrecht, ten behoeve van de arme mensen. Zijn collectie van circa 2.000 banden maakt nu een belangrijk deel uit van de oude drukken in de Universiteitsbibliotheek Utrecht. 
Rond 1530 kwam Jan van Doesborch (57 drukken), een veelzijdig opererende en bekende boekdrukker uit Antwerpen naar Utrecht, en werd de compagnon van Berntsz. Het valt op dat, na het overlijden van Van Doesborch in 1536, bij Jan Berntsz. veel teksten van de pers kwamen die eerder door Van Doesborch waren gedrukt.

Herman van Borculo: drukker van het bestuur en humanisme

Herman van Borculo had vanaf 1538 meer dan vier decennia een boekenbedrijf in Utrecht (1538-1576). Hij was een telg van de drukkersfamilie Van Borculo die in de 16de eeuw heel actief in Utrecht was. Van Borculo drukte religieuze werken, prognosticaties, ordonnanties van de regering en het bestuur. Hij werd vooral bekend door het drukken van humanistische werken. Eén van zijn drukken was het in het Latijn geschreven toneelstuk Bassarus, fabula festivissima (NK 3473) van de Nederlandse humanist Georgius Macropedius (1487-1558) (digitaal exemplaar Universiteit Regensburg; link ex. Utrecht MAG: X oct 525 (Rariora) dl 4). Daarnaast drukten hij en anderen ook andere Latijnse werken (onder andere Lazarus mendicus van Macropedius door Van Borculo, 1541; Medea, Euripidis fabula, Latina facta van Frisius, 1542; Adamus van Macropedius, 1552; Iesus Scholasticus van Macropedius door Van Borculo, 1556; Nebuale Aristophanis Latine van L. Hortensius door Van Borculo, 1557) zodat Utrecht tot circa 1560 tot de vooraanstaande steden voor de verspreiding van humanistische werken in het Nederlandse taalgebied behoorde. Deze positie werd daarna overgenomen door Antwerpen en in het aangrenzende Duitse gebied door Keulen.

Boekdrukkunst als politiek en bestuurlijk instrument

De laatste decennia van de 16de eeuw staan in het teken van het conflict met Spanje, en dat geldt ook voor de boekdrukkunst. Naast literaire werken en boeken over religieuze kwesties verschijnen er steeds meer ‘ordonnanties’ en ‘placcaeten’ van de regering en het bestuur, bijvoorbeeld ook van de stad Amersfoort in 1544, gedrukt door Jan Henrickzoon in Utrecht (Utrecht, UB, L qu 305:3). Nadat verschillende gewesten zich verenigd hadden in de Unie van Utrecht op 29 januari 1579, verscheen er een ordonnantie door de Verenigde Provinciën, die vanaf 1 april 1579 geldig was (ex.: Amsterdam, VU, XW.07003), en ook een akkoord over het gereformeerde geloof, gepubliceerd door de magistraat van de stad. Op 26 januari 1581 drukte Coenraet Hendricksz. een edict van de koning. Dit is een interessant geval omdat de vermelding van Antwerpen als plaats van de druk fictief is. (Utrecht, UB, Rariora S oct. 1482:1). Verder verschenen er stukken met informatie van de overheid, bijvoorbeeld over het heffen van belasting of over munteenheden. Vooral vanaf de jaren zeventig van de 16de eeuw is er een duidelijke toename van het aantal gedrukte werken (stijgend van circa veertien tussen 1561 en 1570 naar circa zestig tussen 1581 en 1590 en 1591 en 1600) vast te stellen. Bovendien bestaat er een duidelijke tendens om met behulp van de boekdrukkers de bevolking van informatie over politieke en bestuurlijke besluiten en regelingen te voorzien. De boekdrukkunst vervult de functie die later eeuwenlang door de kranten en tegenwoordig door de digitale media wordt vervuld.

De oprichting en invloed van het boekverkopersgilde

Een belangrijk moment in de geschiedenis van het Utrechts drukbedrijf is de oprichting van het zelfstandige boekdrukkersgilde in 1599 waar vanaf dat moment ‘Boeckprinters, Boeckbijnders ende Verlichters’ [verluchters] werden verenigd. Dat was opvallend vroeg in de Republiek. Alleen Middelburg (1590) ging nog aan de Domstad vooraf. De boekdrukkers Salomon Aertsz. de Roy en Dirck Dircksz. Geduldigh speelden als bestuurders (dekens) een belangrijke rol bij de vroege jaren van het gilde. Dit waren niet de eerste de besten. De Roy combineerde deze functie met die van statendrukker (1592-1636) en stadsdrukker (1590-1595). Geduldigh nam die laatste functie van hem over. In de regel waren het de wat grotere en kapitaalkrachtige boekverkopers die leiding gaven aan het gilde. Het gilde telde in het begin vijftien leden en in 1663 was dat gegroeid naar 25.

Vanaf deze eerste ordonnantie van 1599 wordt duidelijk dat het gilde streeft naar beperking en bescherming van de stedelijke boekhandel. Zo moest men eerst het burgerschap verwerven om lid van het gilde te kunnen worden. Een regel die tot veel verontwaardiging leidde onder de boekverkopers was dat alleen speciale veilinghouders boeken mochten veilen in de stad. Er kwamen strenge regels voor boekverkopers van buiten Utrecht en de illegale verkoop op straat werd bestreden. Buitenstaanders mochten alleen boeken verkopen op zaterdag, op vrije markten of op een gehuurde plaats in het Schoonhuis (de markthal). Maar ook knechten van het eigen gilde en Utrechtse schoolmeesters werd verboden zelf boeken te verkopen. Het kwam namelijk nogal eens voor dat die laatsten een lucratief handeltje in schoolmateriaal runden. In 1607 kwam er dan ook ter aanvulling een maatregel dat lokale boekverkopers geen boeken aan schoolmeesters mochten leveren.
Die arbeidsdeling binnen het gilde werd streng gereguleerd. In 1653 werd vastgelegd dat de zogenaamde ‘afzetters’ (voorheen de verluchters, die verantwoordelijk waren voor het inkleuren van kaarten en boeken), zich niet mochten bezig houden met het drukken en verhandelen van boeken. In de nieuwe ordonnantie van 1663, die tot aan het eind van de 18de eeuw zou gelden, werd het leden verboden meer dan een winkel te houden of zich door vreemden te laten verhuren.

Omvang en belang van het Utrechtse boekbedrijf

Rond 1500 telde Utrecht circa 25.000 inwoners en was toen de grootste stad in de Nederlanden. In de 17de en 18de eeuw daalde Utrecht in de rangorde. Toen schommelde het aantal inwoners van Utrecht rond de 30.000 en was het de zesde stad na Amsterdam, Rotterdam, Haarlem, Leiden en Den Haag. Toch groeide het boekbedrijf qua omvang aanzienlijk in deze periode. In 1663 waren er bijvoorbeeld tegelijkertijd zo’n vijfentwintig boekverkopers actief en rond 1800 was dat aantal gestegen tot vijfenveertig. Uit recent onderzoek naar het Utrechtse boekbedrijf bleek dat er in de hele 17de eeuw ongeveer 150 drukkers-uitgevers werkzaam waren en in de eeuw daarna zo’n 180. Het Utrechtse boekbedrijf had vooral een regionale functie, wat niet wil zeggen dat deze markt niet lucratief was. De omringende steden, dorpen en het platteland waren redelijk welvarend en mensen uit de regio kwamen regelmatig naar de stad om luxegoederen als boeken te kopen. Deze centrumfunctie werd nog eens versterkt door het feit dat omringende steden als bijvoorbeeld IJsselstein, Montfort, Woerden en Oudewater zelf geen drukkers en boekverkopers hadden. 
De oprichting van de Utrechtse Universiteit in 1636 zorgde voor een belangrijke impuls voor de lokale boekhandel, vooral op het terrein van juridische en theologische uitgaven. Er ontstond een nauwe band tussen academie en boekhandel. Zo werd er vanaf het begin een speciale academiedrukker aangesteld. Vanaf 1685 werd bovendien bepaald dat catalogi van lokale boekenveilingen eerst aan de rector magnificus moesten worden voorgelegd. In 1688 werd door het gilde bepaald dat de stadsbibliotheek, de latere universiteitsbibliotheek, van alle gedrukte boeken in Utrecht een exemplaar zou ontvangen.
De eerste academiedrukkers met het alleenrecht waren Abraham van Herwijck, Hermannus Ribbius en Aegidius en Petrus Roman. Na 1643 ontstond er echter een bijzondere situatie, omdat vanaf dat moment het leveren van academiedrukwerk werd vrijgegeven aan ieder lid van het gilde. In 1685 werd de oude situatie weer hersteld en kreeg François Halma, die al vanaf 1679 in Utrecht werkzaam was, het alleenrecht. Uiteraard produceerden deze academiedrukkers veel in het Latijn, zoals disputaties en dissertaties, en bedienden zij dus wel een bovenregionale markt.
Naast academiedrukkers waren er ook stads- en statendrukkers die net zo’n geprivilegieerde positie innamen in het lokale boekbedrijf. Het is niet voor niets dat veel boekverkopers probeerden deze lucratieve positie door te geven aan familieleden en kinderen. Salomon Aertsz. de Roy wilde deze titel voor een familielid claimen en zag inderdaad kans om in 1639 zijn neefje, Amelis Jansz. van Paddenburgh, met deze functie te begunstigen. Overigens kwam het vrij regelmatig voor dat boekverkopers allerlei officiële functies combineerden. Van Paddenburgh was namelijk tevens stadsdrukker, een functie die hij weer had overgenomen van zijn vader Jan Amelisz. van Paddenburg. De eerdergenoemde François Halma was naast academiedrukker ook deken van het boekverkopersgilde vanaf 1681.

Boeken op straat

Naast deze gevestigde boekverkopers moeten we rekening houden met een groep aanbieders van drukwerk die niet vanuit een winkel of drukkerij de klant bediende, maar als stalhouder, marktverkoper of rondtrekkende marskramer actief was. Dit worden veelal ambulante boekverkopers genoemd. Uiteraard werd er door de gildeleden geageerd tegen deze straatverkopers, omdat ze als oneerlijke concurrenten werden beschouwd. Voor de 17de eeuw hebben we maar incidentele gegevens over dit soort straatverkopers. Het is goed te bedenken dat officiële boekverkopers, hoewel ze er vaak over klaagden, zelf ook betrokken waren en profiteerden van de legale dan wel illegale straathandel. De weduwe van Jurriaan van Poolsum liet haar leerling-letterzetter in 1697 bijvoorbeeld onrechtmatig couranten rondbrengen.

 

Voor de 18de eeuw zijn de gegevens iets beter. Zo weten we dat er in de periode vanaf 1730 tot 1850 bijvoorbeeld 65 ambulante boekverkopers actief waren in Utrecht. In de laatste decennia van de 18de eeuw was maar liefst een derde van alle Utrechts boekverkopers ambulant. Bij die laatste groep horen ook de stalhouders, al staan die straatverkopers dicht bij de boekwinkeliers. De boekverkoper Arend Stubbe bijvoorbeeld, reeds vanaf 1773 actief, had naast een boekwinkel op de Oudegracht bij de Hamburgerbrug, tevens een boekenkraam (in 1789) op de jaarmarkt. Soms betrof het echter zeer arme Utrechters die met het omlopen van drukwerk wat extra inkomen probeerden te verwerven. Dat gold bijvoorbeeld voor de 35-jarige weduwe Sara van Hattum die in 1747 elf stuivers per week verdiende met naaien. Haar veertienjarige zoon verdiende met kopergieten twaalf stuivers en haar dochter van tien verwierf met ‘couranten te bestellen’ zes stuivers per week. De diaconie vulde haar inkomen aan met twee à drie gulden per week. 

Controle en repressie

Naast de stedelijke en interne regulering van de bedrijfstak, hadden de boekverkopers ook rekening te houden met censuur en boekverboden. Hoewel de preventieve censuur na circa 1650 vrijwel helemaal verdween in de Republiek, was er zeker nog sprake van meer incidentele, repressieve censuur in de 17de en 18de eeuw. Onder invloed van de rechtzinnige theoloog Gisbertus Voetius (1589-1676), die vanaf 1634 werkzaam was in Utrecht, werd de stedelijke boekproductie strenger in de gaten gehouden door de calvinistische kerkenraad. In sommige gevallen wisten ze het lokale bestuur ervan te overtuigen een boek te verbieden. Maar ook op gewestelijk niveau, al dan niet onder druk van de provinciale synode, werd de druk en verspreiding van controversiële werken verboden. Zo verordonneerden de Staten van Utrecht in 1692 dat het ‘heiligschennende’ werk De Betooverde Wereld van Balthasar Bekkers niet in de provincie verkocht mocht worden op straffe van een boete van 200 zilveren dukaten. 

Het boekenbedrijf aan het eind van de 18de eeuw

Rond 1800 is er wat betreft de samenstelling van het Utrechtse boekenbedrijf nog niet veel veranderd. Er was nog steeds een verdeling tussen een kleine groep rijke en geprivilegieerde boekverkopers, een grote en diverse middengroep en een derde groep van kleine boekverkopers en ambulante handelaren. Aan de top stonden toen de firma’s Altheer, Muntendam, Van Paddenburg, Post en Van Terveen. Dit waren inderdaad ook de boekverkopers die belangrijke institutionele taken als staten-, stads- of academiedrukker vervulden. Alleen zij waren in staat om ook op bovenregionaal niveau actief te zijn. De laag daaronder bestond uit boekverkopersfamilies als Blanché, Emenes, Kemink, Van Schoonhoven, Van der Schroeff en Visch. In de onderste groep kunnen we boekverkopers als Cornelis van Brussel, Anthonie de Groot en Hendrik P(i)eterse, en marskramers als Johannes Krul en Marie Hoijat onderscheiden.

Geraadpleegde literatuur

  • Alten, A. van, ‘Het Utrechts boekbedrijf rond 1800. Een aanzet tot reconstructie’, in: De negentiende eeuw 14 (1990), p. 139–140.
  • Begheyn, P. en E.EM. Peters, Gheprint te Nymeghen. Nijmeegse drukkers, uitgevers en boekverkopers 1479-1794 (Nijmegen, 1990), p. 25-26, 99.
  • Begheyn, P., ‘Gherard van de Leempt, ca. 1450-ca. 1492, eerste Nederlandse boekdrukker’, in: J.A.E. Kuys (red.), Biografisch woordenboek Gelderland. Bekende en onbekende mannen en vrouwen uit de Gelderse geschiedenis, dl. 4 (Hilversum, 2004), p. 80-81.
  • Evers, G.A., 'François Halma te Utrecht', in: Het boek 6 (1917), p. 135-146.
  • —, Gegevens betreffende Utrechtse staten-, stads-, en akademiedrukkers. [overdruk uit het Grafisch Museum jrg. 1-5]. Z.p. 1930-1935.
  • —, 'Jan van Waesberge te Utrecht', in: Het boek 5 (1916), p. 281-287.
  • Forrer, K., ‘Drie ordonnanties van het Utrechtse Boekdrukkersgilde’, in: Jaarboek Oud Utrecht 2006, p. 84-119.
  • Franssen, P., Tussen tekst en publiek. Jan van Doesborch, drukker-uitgever en literator te Antwerpen en Utrecht in de eerste helft van de zestiende eeuw (Amsterdam ; Atlanta, 1990).
  • Gerritsen-Geywitz, G., ‘The Utrecht printer Nicolaus Ketelaer‘, in: Quaerendo 31 (2001), p. 137-147.
  • 't Hart, P.H., De stad Utrecht en haar inwoners (Utrecht, 1983).
  • Kruseman, A.C., Aanteekeningen betreffende den boekhandel van Noord-Nederland in de 17de en 18de eeuw. [= Bijdragen tot de geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel 6]. (Amsterdam, 1893).
  • Padmos, T. en G. Van Paemel (red.), De geleerde wereld van keizer Karel. Catalogus Tentoonstelling Wereldwijs. Wetenschappers rond Keizer Karel (Leuven, 2000), p. 308.
  • Pietersma (red.), ‘Een paradijs vol weelde’. Geschiedenis van de stad Utrecht (Utrecht, 2000).
  • Robbe, J. R., Der mittelniederländische Spieghel onser behoudenisse und seine lateinische Quelle. Text, Kontext und Funktion (Münster u.a., 2010).
  • —, ‘David van Bourgondië en het Speculum humanae salvationis. Een nieuw perspectief op de invoering van de boekdrukkunst in de Noordelijke Nederlanden’, in: Millenium 21 (2007), p. 39-57.
  • Sijs, N. van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen (Veen ; Amsterdam/Antwerpen, 2002).

Rita Schlusemann en Jeroen Salman
 

Subsidie

Het project Vroege Utrechtse drukkers op de kaart, 1450-1800, waarvan deze digitale tentoonstelling van Utrechtse incunabelen onderdeel uitmaakt, kon tot stand komen dankzij een royale subsidie van het K.F. Hein Fonds en het Fentener van Vlissingen Fonds SHV.