Bosatlassen: de wereld in beeld (1877-1939)

De digitale tentoonstelling Bosatlassen: de wereld in beeld (1877-1939) biedt een prachtig overzicht van alle vooroorlogse edities van de befaamde Bosatlas, de belangrijkste schoolatlas van Nederland gedurende de afgelopen anderhalve eeuw. Doel van de tentoonstelling is de gebruiker te tonen wat er veranderde op de wereld, dan wel hoe de weergave van de wereld veranderde, of misschien wel hoe de atlasredacteuren vonden dat de weergave van de wereld moest veranderen. Want de aantoonbare verschillen tussen in de tijd opeenvolgende kaarten zeggen zowel iets over de feitelijke veranderingen op aarde als over de interpretatie daarvan door de atlasredacteuren, die daarbij natuurlijk werden beïnvloed door wat de maatschappij daarvan vond. Bij de verschillende edities van De Bosatlas en de daartoe behorende kaarten zijn commentaren geschreven, die de gebruikers moeten helpen de veranderingen te identificeren en te verklaren. Dit achtergrondverhaal vormt een kartografische evaluatie van die commentaren. De gebruiksmogelijkheden van de website en de ervoor nodig geachte functionaliteit zijn al beschreven in een in mei 2016 in Seoul gepresenteerde paper (Ormeling, 2016). Een speciaal aspect van De Bosatlas, namelijk de manier waarop de redacteuren met het kolonialisme omgingen, is gepresenteerd op een seminar van de ICA Commission on the History of Cartography in Dubrovnik in oktober 2016.

Werkwijze

De commentaren op de atlasedities en kaarten zijn vervaardigd op een wijze die door het scannen van de kaarten uit alle Bosatlas-edities in feite achterhaald is: alle kaarten zijn gefotografeerd en per editie in een bestand opgenomen, en vervolgens zijn dezelfde kaarten die van de ene op de andere editie voorkomen, gegroepeerd, zodat bijvoorbeeld alle kaarten van Frankrijk of alle wereldkaarten van de zeestromen bij elkaar staan. Op het computerscherm zijn vervolgens dezelfde kaarten uit opeenvolgende edities naast elkaar gezet voor de vergelijking, waarbij op beide beelden werd ingezoomd. Nog beter zou het zijn geweest wanneer ze over elkaar heen zouden zijn gelegd ter vergelijking. Er is hier dus slechts van een voorlopige bestandsopname van de veranderingen sprake; met de nieuwe tool – een vergelijkingsviewer, die in de loop van het project ontwikkeld is – van de Universiteitsbibliotheek Utrecht kan en moet er nog een keer opnieuw naar de kaartbeelden worden gekeken, omdat het mogelijk zal zijn nog veel meer veranderingen te ontdekken (afbeelding 1).


Afbeelding 1: Voorbeeld van de vergelijkingsviewer, met het kaartbeeld van Rotterdam in twee opeenvolgende edities.

‘Gold rushes’ in De Bosatlas

Bij de gesignaleerde veranderingen in het kaartbeeld is getracht er telkens een verklaring voor te vinden. Er is nagegaan wat de bronnen waren voor het redactionele werk. In eerste instantie is geprobeerd het verhaal achter de atlas (het ‘narratieve’) te achterhalen: wat wilde de redacteur met de atlas bereiken? Daarvoor zijn de voorwoorden van de verschillende edities bestudeerd. Als bronnen voor de inhoud van de kaarten werden bijvoorbeeld de jaargangen van het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap doorgewerkt. Als er bij de vergelijking tussen twee edities van een kaart een nieuwe plaats opdook, dan werd die opgezocht in Wikipedia. Bij opvallende plaatsnamen, grensverlopen of kaartsymbolen werd nagegaan in welke editie deze voor het eerst voorkwamen en via Wikipedia bepaald wat daar dan de reden voor kon zijn geweest. Op die manier, zoekend naar de reden waarom een plaats is opgenomen, zijn bijvoorbeeld alle mogelijke ‘gold rushes’ gevonden – met name redacteur Bos was daar blijkbaar erg gevoelig voor. Vele vindplaatsen van edele metalen werden door hem op de kaart gezet, waarvan het belang voor het aardrijkskundeonderwijs verwaarloosbaar was en die binnen enkele jaren tot ‘ghost towns’ zouden verworden, en zeker niet pasten in het concept van Von Humboldt, dat alleen de belangrijkste zaken in de schoolatlas dienden te worden opgenomen. Het appelleerde blijkbaar aan zijn zucht tot weergave van actualiteit en dramatiek, maar daarmee verwarde hij het korte termijnsucces (aantonen hoe actueel de atlas was) met een lange termijneffect (een duidelijke weergave van alleen de belangrijkste zaken). Het geeft ook aan dat de persoon van de atlasredacteur een belangrijke invloed op de inhoud en het narratieve van de atlas had.

Verschil in actualiseringstempo

Het verschil in het tempo van de actualisering van de geografische informatie ligt vooral hierin dat voor Nederland en zijn koloniën veranderingen meteen worden aangebracht en dat dat voor het nabijgelegen Europa dan wel de veel verder weggelegen andere werelddelen, wel veel langzamer gaat. Voor Nederland worden alle veranderingen in het landschap scrupuleus bijgehouden, zodat met name de provinciekaarten in De Bosatlas een geweldige bron vormen voor de landschapsreconstructie. Op die provinciekaarten staan immers de grondsoorten (vanaf de twaalfde editie), het karakter van de nederzettingen (vanaf de dertiende editie), de uitbreidingen van de stedelijke agglomeraties (vanaf de derde editie), de spoor- en tramverbindingen (vanaf de zesde editie), en de kanalen voor de scheepvaart en de wijken voor de veenontginningen (vanaf de dertiende editie) en de dijken langs zee of rivieren minutieus worden weergegeven, tot ter wille van de leesbaarheid in 1929 in de 32ste editie de wijken en bebouwingssymbolen worden weggehaald.

Bij andere landen is het actualiseringstempo trager, en voor gebieden buiten Europa weer trager dan voor Europese landen, met uitzondering van onze koloniën. De trage herziening geldt vooral voor de thematische bijkaartjes. Voor Engeland worden van de negentiende editie (1910) de productiecijfers van de ijzererts- en steenkoolwinning aangegeven, zoals die voor 1910 golden. Daarna worden de cijfers weggehaald maar in de 36ste editie (1939) staan op de kaart nog gewoon de proportionele symbolen die voor 1910 golden!

Bij de koloniën is de actualisatie beter: men excuseert zich in het voorwoord wanneer een administratieve wijziging (en dat gebeurde om de haverklap!) zoals de grens- of statusverandering van een residentie, niet meteen in de volgende editie op de kaart zichtbaar was gemaakt.

Vooruitlopen

Haaks op de actualisering staat het ‘vooruitlopen’ op de kaart: objecten opnemen op de kaart, die gepland zijn maar nog niet gerealiseerd. Vooral redacteur Niermeyer had daar een handje van. Neem bijvoorbeeld de Hedzjas-spoorlijn, rond 1900 gepland tussen Damascus en Mekka. In 1908 was de lijn gereed van Damascus tot de stad Medina, maar het gedeelte van Medina naar Mekka zou nooit worden gerealiseerd. Toch staat in de zeventiende editie van De Bosatlas de spoorlijn aangegeven als ware hij al in zijn geheel voltooid (afbeelding 2). Hetzelfde geldt voorde spoorlijn aan de andere kant van de Rode Zee, langs de Nijl tussen Wadi Halfa en Assoean (nu Aswan). Vanwege het moeilijke terrein is ook dat tracé nooit tot stand gekomen. Pas in de 23ste editie verdween de spoorlijn Medina-Mekka weer uit de atlas.


Afbeelding 2: Detail uit de zeventiende editie (1906).

Eilandkartografie

‘Eilandkartografie’ noemen we het verschijnsel dat alleen een bepaald deel van de kaart helemaal met gegevens is gevuld, en andere delen, die betrekking hebben op gebieden die niet in de kaarttitel vermeld staan, niet. Neem bijvoorbeeld het Oostenrijks-Duits-Russische grensgebied bij Krakau in 1885 (afbeelding 3): op de kaart van Duitsland staat de spoorverbinding door het Oostenrijkse Galicië tussen de belangrijke maar niet op de kaartfragmenten weergegeven centra Lemberg (Lvov) en Praag (of tussen Krakau en Troppau/Olmütz) aangegeven via de Duitse steden Königshütte en Ratibor; op de kaart van Oostenrijk-Hongarije verloopt de spoorverbinding westelijk van Krakau zuidelijk van de Weichsel (Wisla) en blijft dus helemaal op Oostenrijks grondgebied lopen.

Op de kaart van Azië uit de tweede editie (afbeelding 4) is duidelijk te zien waar eilandkartografie toe leidt: het buiten Azie gelegen gebied is wit gelaten en daarin gelegen objecten zijn onbenoemd gelaten. Daardoor is het moeilijk verbanden tussen objecten in (of op de grens van) Azië en in Europa of Afrika te leggen. Dat verschijnsel van de eilandkartografie zal bijna tot het eind van de hier gekozen periode voor De Bosatlas worden aangehouden; het laatste negatieve commentaar over de eilandkartografie staat bij de verschillende edities vermeld bij de overgang van de 33ste op de 34ste editie. Daar staat dat het wit of met biesjes weergeven van het deel van de staatkundige kaarten dat niet tot het in de titel genoemde gebied hoort tot verwarring leidt, omdat ook mandaatgebieden na de Eerste Wereldoorlog met biesjes worden aangeduid.


Afbeelding 3a en 3b: Twee details uit de zevende editie van De Bosatlas, boven van de kaart van Duitsland, onder van de kaart van Oostenrijk-Hongarije.


Afbeelding 4a en 4b: De kaart van Azië staatkundig uit de tweede (boven) en achttiende editie (onder) van De Bosatlas, waarbij sprake is van eilandkartografie.

Structuurveranderingen

Het geografisch aandeel van de kaartbladen in de eerste editie van De Bosatlas is: Nederland 8 procent, Europa zonder Nederland 52 procent, wereld 8 procent , andere werelddelen (zonder Europa) 32 procent. Bos heeft duidelijk geprobeerd om alle belangrijke Europese gebieden op dezelfde schaal van 1:3,7 miljoen te krijgen. Het aandeel van de koloniën (er is vanaf de uitgave van 1878 een kaart van de Indische archipel) is 3 procent.

Zoals te zien is in tabel 1 neemt het aandeel van de kaarten van Nederland geleidelijk toe, van acht tot 21 procent. Dat van Europa en de overige Europese staten neemt geleidelijk af, van 52 tot 32 procent, terwijl dat van de werelddelen toeneemt van 32 tot 38 procent. Die toename is echter te verklaren uit de toename van de kaarten van de koloniën (van drie tot veertien procent!).


Tabel 1: Verandering in de structuur van de atlas: aantal en aandeel der atlas-spreads 1877-1939. *Zwart-wit kaarten zijn voor de helft meegeteld.

Naast het aandeel van de voor de verschillende gebieden geboden kaarten verandert ook de volgorde waarin de verschillende bieden worden gepresenteerd (afbeelding 5). Dat gebeurt als volgt: binnen Europa: in 1919, na de Eerste Wereldoorlog, is Groot-Brittannië naar voren gehaald en onmiddellijk na Frankrijk geplaatst. In 1939 is, mogelijk als reactie op de Spaanse burgeroorlog, maar nog waarschijnlijker omdat Scandinavië ons meer na aan het hart gaat dan Rusland, de Balkan of Zuid-Europa, de volgorde radicaal veranderd: na Groot-Brittannië, nu Scandinavië, dan pas Rusland, de Balkan, Italië en ten slotte Spanje.


Afbeelding 5a, 5b en 5c: Volgorde in 1881 (boven), volgorde in 1919 (midden), volgorde in 1939 (onder).

Wat de werelddelen betreft is het experiment om Australië/Oceanië meteen na Azië te plaatsen al in de derde editie opgegeven: Bij de werelddelen is de volgorde als volgt veranderd: eerst het aanpalende Azië en Afrika, dan Noord- en Zuid-Amerika en tenslotte het verst verwijderde werelddeel, Australië.

Geleidelijk aan zijn er zwart-wit kaarten toegevoegd op de achterzijden van de in kleuren gedrukte atlasspreads: dit gebeurde niet in kleur omdat men dan niet de correcte passing van de kleuren kon garanderen. Pas rond 1960 is dat na veel intern geruzie van de toenmalige redacteur met het hoofd van de drukkerij toch gerealiseerd!

Geografische namen

Het nagaan wat de verschillen waren van editie tot editie, betrof ook de spellingvarianten van de plaatsnamen. Daarbij was er veel steun van het artikel van Tichelaar (2002). Helaas zeggen de redacteuren nergens welke opvattingen ze hebben met betrekking tot de weergave van geografische namen. Ze hadden kunnen aangeven of ze voor de plaatselijk officiële versies (endoniemen) van de namen kiezen  of voor vernederlandste versies (exoniemen). Bovendien hadden ze kunnen aangeven, bij het overnemen van namen uit landen met andere schriftsystemen dan ons Latijnse alfabet, of ze gaan voor transliteratie (gericht op een juiste omzetting van de schriftsymbolen) of voor transcriptie (gericht op een juiste omzetting van de klanken). Vooral redacteur Kwast maar ook Niermeyer gaat regelmatig over tot transcriptie van namen uit een ander Latijns alfabet – maar er lijkt geen systeem in te zitten. Hoe ze in de praktijk te werk zijn gegaan is voor de kaart van de Balkan onderzocht door de huidige redacteur van de atlas Tjeerd Tichelaar (2002).

Toponiemen op de Balkan

De kaart van de Balkan uit de eerste editie van 1877 bevat Turkse namen, Slavische namen, Italiaanse namen, en aan de Byzantijnse oudheid ontleende exoniemen. Griekse namen zijn getranslitereerd, Cyrillische en Arabische namen zijn getranscribeerd. In de elfde editie van de atlas zijn veel van de Italiaanse namen vergriekst; Bos kiest daarbij voor de Katarevoussa-versie in plaats van de Dimotiki versie (dus voor een door het antieke Grieks beïnvloede literaire versie van de taal in plaats van voor de volkstaal). Latijnse schrijfwijzen delven bovendien het onderspit tegen de Griekse: ‘Kykladen’, ‘Mykene’, ‘Granikos’ (in plaats van ‘Cycladen’, ‘Mycenae’, ‘Granicus’). In Bulgarije vervangen Bulgaarse naamvormen de Turkse. De meeste dubbele namen worden tot enkele gereduceerd.

In de veertiende editie zijn de resterende Turkse namen in Bulgarije ook Slavisch geworden; in de transliteratie doet ook de caron (š,Č) zijn intrede. In Servië en Bosnië wordt de Kroatisch-Latijnse schrijfwijze overgenomen. De transcriptie van Turkse namen in Turkije is met taalkundige expertise gerealiseerd. Voor Griekenland wordt in veertiende editie de klassiek-Griekse transliteratie niet meer gevolgd maar de moderne transliteratie van het Katarevoussa: dat betekent  vormen zoals ‘Limnos’ en ‘Levkas’ in plaats van ‘Lemnos’ en ‘Leukas’.

Exoniemen en endoniemen

Bos heeft een trend ingezet om exoniemen en transcripties te vervangen door endoniemen en internationaal geaccepteerde transliteraties. Zijn opvolger Niermeyer is revisionistisch waar het de namen betreft, veel nieuw-Griekse namen zijn door hem vervangen door classicistische: ‘Sparti’ wordt ‘Sparta’ en ‘Eubea’ wordt ‘Euboea’. Pas in 1925 komt redacteur Kwast ertoe naar de namen te kijken, maar dat gebeurt niet systematisch: Dat laatste gebeurt pas bij Eibergen die vanaf 1929 Kwast bij de redactie helpt. Het leidt in de 32ste editie tot een groot aantal naamswijzigingen, een algemene lijn valt er echter niet in te ontdekken – blijkbaar is de expertise niet meer aanwezig. Voor de 36ste editie (1939) probeert Eibergen terug te gaan naar exoniemen en transcripties: (behalve voor het Grieks): alle Slavische namen – zowel de in ons Latijnse alfabet geschreven Kroatische als de in het Cyrillisch alfabet geschreven Servische – worden getranscribeerd:  we kunnen dit illustreren aan de hand van de Servische plaatsnaam ‘Kruševac’: ‘Kroesjewats’ (1877), Krusevac (veertiende editie, Bos kiest dus voor het endoniem), ‘Kruševac’ (vijftiende editie, endoniem in correcte schrijfwijze), ‘Kroesjewats’ (36ste editie; Eibergen gaat terug naar exoniem met correcte Nederlandse uitspraak).

Uitstulpingen

Meer dan andere schoolatlassen komen in De Bosatlas ‘uitstulpingen’ van het gekarteerde gebied buiten het kaartkader voor. Dat gebeurt omdat bij een bepaalde (meestal mooi afgeronde) schaal een gebied net niet helemaal binnen het kader past, of omdat een binnen het kader afgebeeld verschijnsel (een rivierloop, een eilandenboog, een spoorlijn, een telegraafkabel of een kustlijn) net niet helemaal binnen dat kader past. Vaak is daarbij sprake van voortschrijdend inzicht: de staatkundige kaart van Nederland stond bijvoorbeeld al jaren in de atlas toen, in de achttiende editie de kaartrand werd doorbroken om ook de benedenloop van de Eems weer te kunnen geven. Op de kaart van Azië ontstond zo’n uitstulping nadat de Noordland-eilanden waren ontdekt. Op de kaart van de Balkan werd zo’n uitstulping nodig toen Roemenië na de Eerste Wereldoorlog Bessarabië erbij kreeg, en op de kaart van de Grote Oceaan (34-45) toen de telegraafkabels ingetekend moesten worden. Op de kaart van België werd een uitstulping nodig geacht, toen men de taalgrenzen op die kaart ging weergeven en vervolgens het hele Nederlandse taalgebied in Noord-Frankrijk op de kaart wilde zien. Ook vanwege de na de Eerste Wereldoorlog getrokken nieuwe grenzen was een uitbreiding van de kaart van Italië nodig, door de toevoeging van Zuid-Tirol aan dat land.


Afbeelding 6: Bosatlas kaart 26-27, Italië 1922.


Afbeelding 7: Bosatlas 35ste editie kaart 45, Australië (1936) met telegraaflijnen.

   
Afbeelding 8: Frans-Vlaanderen in de achttiende (1908), negentiende (1910) en 21ste editie (1914) van De Bosatlas. De lichte rode lijn geeft de taalgrens weer.

De atlas als een lopend project

De bezetting van het lithografisch bureau De Wijer, dat de kaarten van De Bosatlas op steen aanbracht, was zodanig dat er maar een beperkte hoeveelheid tijd aan een nieuwe editie van de atlas kon worden besteed. Als besloten werd een bepaalde verandering in te zetten, dan duurde het een aantal edities voordat die verandering op alle kaarten was doorgevoerd. Dat is bijvoorbeeld te zien aan het graadnet dat pas, zoals hieronder aangegeven, in de vijftiende editie geheel op de nulmeridiaan van Greenwich was gebaseerd, iets wat al in de achtste editie was ingezet. Maar het is ook te zien bij de opname van legenda’s, en bij de invoering van het metrieke stelsel: aanvankelijk was alles nog in mijlen en voeten aangegeven. Er treedt dan een geleidelijke overgang op naar alleen een kilometerschaal, vooral op de bijkaarten en de kaarten van de koloniën. Toch staan ook in de 36ste editie op alle overzichtskaarten van werelddelen en Europese staten schalen ook nog aangegeven in geografische mijlen, en op de overzichtskaarten van Nederland nog in uren gaans.


Tabel 2: Invoering van de nulmeridiaan van Greenwich in de eerste 16 edities. Groen is Ferro, geel Amsterdam en oranje Greenwich. Links de betreffende kaarten.

In tabel 2 is te zien dat – afgezien van de kaarten van de halfronden – in de achtste editie begonnen wordt met de overgang op de nulmeridiaan van Greenwich (oranje) in plaats van de nulmeridiaan van Ferro (groen). Met uitzondering van de hier geel aangegeven kaarten van Nederland, die in de eerste en van de negende tot en met elfde editie de nulmeridiaan van Amsterdam hanteerden, zijn er steeds meer kaarten in de latere drukken die op de nulmeridiaan van Greenwich overgaan; in de vijftiende editie is dat proces voltooid. De kaarten van de koloniën waren de eerste die op de internationale nulmeridiaan overgingen; de kaarten van Groot-Brittannië, Spanje en Noord-Amerika hielden het langst aan die van Ferro vast. Maar al met al duurde de omschakeling zeven edities lang!

Plaatsstippenlegenda’s

Een vergelijkbaar beeld komt naar voren in tabel 3 van het moment van invoering van een ‘plaatsstippenlegenda’, waaraan de grenzen worden aangegeven van het aantal inwoners dat een plaatssymbool weergeeft. Hoewel op de Nederlandse provinciekaarten vanaf de derde editie een indeling van de plaatsen naar inwonertal wordt verklaard, begint Bos pas in de zesde editie, als de kaarten van Groot-Brittannië en Spanje nieuw worden vormgegeven, en het model voor andere nieuwe kaarten gaan vormen, met de systematische invoering van plaatsstippenlegenda’s: in de zevende editie op de Alpenkaart, in de achtste editie voor de werelddelen Europa, Afrika en Noord-Amerika, in de negende op de overzichtskaarten van Nederland, in de tiende voor Duitsland, Azië en Zuid-Amerika, de elfde voor de Verenigde Staten, de twaalfde voor Australië, de dertiende voor Rusland, de veertiende voor België en Zwitserland en in de vijftiende tenslotte voor Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije, Italië, de Balkan en Zuidoost-Azië. In Nederlands-Indië blijven de plaatsen lang gekenmerkt met symbolen voor hun administratieve status in plaats voor hun inwonertal – op Sumatra komt dat laatste pas in 1939.


Tabel 3: Invoering van plaatsstippenlegenda’s per editie op de verschillende kaarten.

Dieptelijnen en hoogtelegenda’s

Dat het ook anders kan, dat veranderingen in één keer kunnen worden doorgevoerd, blijkt uit de invoering van andere dieptetinten in de hele atlas, zoals bij de zesde editie bleek toen dieptelijnen van 1.000 en 3.000 vadem werden ingevoerd, bij de zevende toen dat werd vereenvoudigd tot alleen de diepte van 1.000 vadem en in de twaalfde editie toen dieptelijnen van 200, 2.000 en 4.000 meter werden ingevoerd op alle werelddelenkaarten.

Ook wat betreft de invoering van hoogtelegenda’s bleek een dergelijke vernieuwing in één keer doorgevoerd te kunnen worden. In tabel 4 blijkt dat afgezien van Nederland waar al vanaf de eerste editie een hoogtekaart met legenda in stond, evenals voor Java, voor praktisch alle andere geografische overzichtskaarten direct in de achtste editie een dergelijke legenda werd ingevoerd.


Tabel 4: Invoering van hoogtelegenda’s per editie op de verschillende kaarten.

Later, buiten de hier behandelde periode 1877-1939, zou de overgang van schrapjes op schaduwering voor de reliëfweergave en de overgang van het ene schrifttype op het andere of de introductie van in blauw gedrukte hydrografie ook vele edities vergen. Die beperkte capaciteit van het tekenbureau is dus een verklaring voor het niet overeenkomen van gegevens uit verschillende kaarten van eenzelfde gebied in één editie met elkaar. In de zevende editie zijn de diepten op de kaart van Nederlands-Indië al aangegeven in meters, terwijl elders nog van vademen gebruik gemaakt wordt; in de twaalfde editie wordt overal met meters gewerkt.

Slordigheid

Toch mogen we de atlasredacteuren ook een mate van slordigheid verwijten die niet door de beperkte tekencapaciteit verontschuldigd kan worden: dat blijkt bijvoorbeeld uit het gebrek aan consistentie in de plaatsnamenweergave: op de kaart Noord-Amerika natuurkundig staat Salt Lake City van de achtste tot en met de veertiende editie aangegeven als ‘Z.M.St.’; als ‘Zoutmeerst.’ van de vijftiende tot en met de 34ste editie (daarna worden er geen plaatsnamen meer vermeld op deze kaart). Op de kaart Noord-Amerika staatkundig staat het van de eerste tot en met de zevende editie als ‘Gr. Zoutmeerstad’; als ‘Salt Lake City’ (‘Zoutmeerstad’) van de achtste tot en met de veertiende editie, als ‘Zoutmeerstad’ van de vijftiende tot en met de 33ste editie; en als ‘Salt Lake City’ van de 34ste tot en met de 36ste editie. Op de kaart van de Verenigde Staten is de plaats van de eerste tot en met de tiende editie vermeld als ‘Groote Zoutmeerstad’; als ‘Great Salt Lake City’ van de elfde tot en met de 23ste editie, en als ‘Salt Lake City’ van de 24ste tot en met de 36ste editie! Dat had natuurlijk veel eerder gestandaardiseerd kunnen worden.

Evidente fouten

Daarnaast duurt het soms vele edities lang voordat evidente fouten worden ontdekt en verbeterd. Daaruit blijkt dat er gewoon niet voldoende kritisch naar de atlas werd gekeken door de redacteuren. De in de tweede editie ingevoerde ‘East Anglican heights’ wordt pas in de zesde editie verbeterd in ‘East Anglian heights’; de foutief in de zesde editie overgenomen naam ‘Faikbaai’ op Curaçao werd pas in de zeventiende editie verbeterd in het correcte ‘Fuikbaai’. Op het talen-bijkaartje op de kaart van Groot-Brittannië in de achtste editie  heeft men de ongelukkige keus gemaakt de gebieden, die een Gaelisch-sprekende minderheid bevatten, donkerder te maken dan die met een meerderheid. Dat blijft zeker tot en met de veertiende editie zo; ongelooflijk dat niemand kritiek had op zo’n elementaire fout.

Van de tiende tot en met de vijftiende editie staat de Mount Everest, de hoogste berg ter wereld, niet in de atlas. In de tiende editie is de spoorverbinding Santos-Sao Paulo per ongeluk weggevallen, en dat ontdekt men pas acht jaar later; in de dertiende editie van 1897 wordt dat weer op de kaart hersteld. In de twaalfde editie is in de Australische staat Victoria de kustplaats Portland verwisseld met Warnambool. Dat zal pas in de zeventiende editie worden gerectificeerd! In de dertiende editie wordt Herkenbosch bij Roermond als ‘Berkenbosch’ op de kaart gezet. Dat wordt weer hersteld in de vijftiende editie. In de dertiende editie is de naam van de havenplaats Akaba aan een noordelijke uitloper van de Rode Zee per abuis in ‘Ikaba’ veranderd. Het zal pas weer verbeterd worden in de 28ste editie van 1923.

In de vijftiende editie ligt in Canada aan de Mackenzie River het Fort Goede Hoop. Terwijl het in de vorige twee edities juist gelokaliseerd was, ongeveer daar waar de Mackenzierivier en de poolcirkel elkaar kruisen, is het nu op de plaats van Fort Norman terecht gekomen. Wat Bos bezield heeft om het in de twee vorige edities juist geplaatste Fort Good Hope nu op de plaats van Fort Norman als Fort Goede Hoop weer te geven zal wel nooit duidelijk worden. Pas in de 33ste  editie wordt dat ontdekt!
Bij het vormgeven van de zeventiende editie hebben de redacteuren na tien edities ontdekt dat de schaalaanduiding van de kaart van Curaçao fout was: er stond 1:100.000 en het moest 1:1 miljoen zijn.

Vlaamse minderheid of Franse minderheid?

Een ander voorbeeld van slordigheid is de talenkaart die als bijkaart op de kaart van Frankrijk is opgenomen (afbeelding 9): in de 29ste tot en met de 31ste editie wordt er gesuggereerd dat er in plaats van een Vlaamse minderheid in Noord-Frankrijk een Franse minderheid in Noordwest-België woont. Dat heeft een lange voorgeschiedenis. Op de kaart uit de achttiende editie wordt het Nederlandse taalgebied in Noord-Frankrijk nog door een opvallende rode kleur gemarkeerd. In de daaropvolgende negentiende editie (tweede kaartje) wordt het Nederlands of Vlaamse taalgebied wit gelaten, terwijl het Waals een opvallende oranje kleur krijgt, afwijkend van de verticale wit-lichtoranje arcering voor de overige Franse dialecten.

Zeker als de staatkundige grens van Frankrijk dan een overheersend karakter krijgt, zoals in het derde kaartje, is niet meer duidelijk dat er in dat hoekje tegen België aan een afwijkende taal wordt gesproken. In het vierde kaartje (25ste editie) wreekt zich dat: als de bies voor de staatsgrens weer normale proporties krijgt is niet meer duidelijk dat er in dat hoekje geen Frans dialect wordt gesproken en men geeft het de wit-lichtoranje arcering van een Frans dialect. De volgende, vijfde stap is dat het zwarte stippellijntje van de dialectgrens wordt verward met de staatsgrens – men weet nog dat daar in de buurt een minderheid moet voorkomen, en als het allebei Franse dialecten zijn, dan moet die minderheid wel in België liggen: het resultaat is de vijfde kaart (29ste editie) waarop de staatsgrens van België tot voorbij Duinkerken reikt en binnen dat uitgebreide België een Franse minderheid, naast de al aangegeven Waalse groep voorkomt.

Er gaan geen bellen rinkelen, dat gebeurt uiteindelijk bij de voorbereiding van de 32ste editie, vijf jaar later, en dan pas wordt het gecorrigeerd! En dat terwijl ook in de periode tussen 1924 en 1929 de taalgrens in België een hot issue was. Keek er dan niemand kritisch naar de atlas? Op het laatste kaartje is de taalkundige situatie weer correct weergegeven.

   

   
Afbeelding 9: De weergave van de Vlaamse minderheid in Noord-Frankrijk in opeenvolgende Bosatlassen.

Vergelijkingen

Er zitten naast een aantal slordige fouten gelukkig ook ontzettend veel leuke kaarten verstopt in de oude edities van De Bosatlas, die zich uitstekend lenen voor vergelijking met modern kaartmateriaal uit de atlas. Als voorbeeld een kaartje van de Mississippi-delta uit de zesde editie (1884) en uit de 54ste editie (2012) in afbeelding 10.


Afbeelding 10: De Mississippi-delta in 1884 (boven) en 2012 (onder).

Verder lezen

  • Ormeling, Ferjan (2005); m.m.v. Rob van der Vaart, Biografie van de Bosatlas [1877-heden], (Groningen : Wolters-Noordhoff, 2005), 136 p.
  • — (2006), 'De weergave van Suriname in de Bosatlas 1877-1940', in: Caert-Thresoor 25.2 (2006): 25-32.
  • — (2006), 'The origins of the Bosatlas and its portrayal of Hungary', in: Térkép - Tudomány: Tanulmányok Klinghammer István professzor 65. születésnapja tiszteletére = Map - Science: Papers in Honour of the 65th Birthday of Prof. István Klinghammer = Karte - Wissenschaft: Festschrift zum die 65. Geburtstag zu Ehren von Prof. István Klinghammer / edited by Zentai László, Györffy János and Török Zsolt, (Térképtudományi = Studia Cartologica; 13), (Budapest: ELTE Térképtudományi és Geoinformatikai Tanszék, 2006), p. 315-322.
  • — (2015), 'The rendering of Greece in Dutch school atlases', in: Cartographies of Mind, Soul and Knowledge: Special Issue for Professor Emeritus Myron Myridis / Arvanitis, A. [et al.] (eds.), (Thessaloniki: AUTH, 2016), p. 362-375.
  • — (2016), ‘A Total History Atlas: the Bosatlas editions online 1877-1939’, in: 2016 Conference on the Making of Historical Atlas (Seoul : Northeast Asian History Foundation, 2016): p. 285-303.
  • — (2016), 'Een nieuw soort geschiedenisatlas: De Bosatlas online 1877-1939', in: Geo-Info 2016-5: p. 34-41.
  • — (2017), 'The Rendering of Iran in a European School Atlas', in: Sahab 80 Years Cartography (te publiceren).
  • — (2017), 'Colonialism in the Bosatlas', in: History of Cartography Series / M. Altic [et al.] (eds.) (te publiceren).
  • Tichelaar, T.R., ‘Actualiteit en aardrijkskundige namen in de Bosatlas: de Balkan 1877-2002’, in: Kartografisch Tijdschrift 28.4, 2002, p. 44-57.
  • Vroege, Peter, ‘De Bosatlas: verleden, heden, toekomst’, in: Geo-Info 2015-1: p. 14-20.

Em. prof. dr. Ferjan Ormeling, 2016