Heilzame planten verzameld in druk

Den groten herbarius is een laatmiddeleeuws kruidenboek met beschrijvingen en illustraties van honderden planten, maar ook van dieren, stenen en andere natuurlijke stoffen, met bijzondere aandacht voor hun medicinale kwaliteiten. Het werk moet een ware bestseller zijn geweest in de Lage Landen in het tweede kwart van de zestiende eeuw: tussen 1514 en 1547 zijn er minstens zes verschillende edities van verschenen. Deze editie uit 1526 is gedrukt in Antwerpen door Claes de Grave (Nicolaes Grapheus), die het werk ook al in 1514 had uitgegeven. De tekst is een vertaling van de Duitse Ortus sanitatis … ein Gart der Gesuntheit (ook wel de ‘kleinere Ortus’ genoemd), die voor het eerst in druk verscheen in 1485 bij Peter Schöffer in Mainz. De houtsneden in Den groten herbarius zijn daarentegen gekopieerd naar een ander beroemd kruidenboek dat in Mainz van de drukpers rolde: de Latijnse Ortus sanitatis uit 1491, gedrukt door Jacob von Meydenbach.

Een nuttig naslagwerk

Herbaria of kruidenboeken zijn traktaten over de eigenschappen van planten. Meestal geven ze informatie over de medicinale, culinaire of andere belangrijke kwaliteiten van elke plant. Al sinds de oudheid hielpen zulke boeken hun lezers - zoals artsen, apothekers of liefhebbers - om te weten welke planten effectief waren tegen welke aandoeningen.

Den groten herbarius is duidelijk vormgegeven als naslagwerk, waarin de lezer gemakkelijk en doelgericht informatie kan opzoeken. Dat mag voor hedendaagse lezers vanzelfsprekend lijken, maar in de vroege zestiende eeuw was het een noviteit. Dat wordt met nadruk duidelijk gemaakt in het zesde deel van het boek, dat een register omvat van remedies tegen allerlei kwalen. Aan het begin van dit register is bijna een volledige pagina gewijd aan een omstandige toelichting en aanprijzing van dit buitengewoon handige onderdeel van het boek (fol. K2r). Het boek bevat nog meer elementen die helpen bij het navigeren door de inhoud, zoals bladnummers en hoofdstuktitels. Bovendien zijn de korte hoofdstukjes allemaal voorzien van een houtsnede aan het begin.

Of dit exemplaar van Den groten herbarius inderdaad zo veelvuldig ter hand is genomen als waarvoor de drukker het had toegerust, is lastig vast te stellen: het boek bevat nauwelijks gebruikerssporen en de bladzijden zijn opvallend schoon.

Vijf of zes delen?

De proloog, een vertaling van het Duitse origineel, vermeldt dat het boek uit vijf delen bestaat. Deze Nederlandstalige editie heeft echter zes genummerde delen:

  1. de proloog (a1r-a2r);
  2. beschrijvingen van planten en andere schepselen en hun heilzame kwaliteiten, gealfabetiseerd naar hun Latijnse naam (“in ordinancie vanden alphabeet”; a2r-H3r);
  3. een register van heilzame planten en andere schepselen, gerangschikt naar hun kwaliteiten (bijvoorbeeld kruiden die purgeren, kruiden die zweet opwekken, vruchten, dieren, wortels - H4r-J1r); deze tekst wordt voorafgegaan door een paginavullend anatomisch diagram van een skelet (H3v);
  4. een urinetraktaat over de kleuren die urine kan hebben en wat je daaruit kan afleiden (J1v-J4r);
  5. een urinetraktaat door meester Arnoldus de Villanova (J4r-K2r);
  6. een register van remedies tegen tal van aandoeningen, met de bijbehorende hoofdstuknummers waar deze remedies te vinden zijn (K2r-M3v).

Klassieke wortels

De oorsprong van kruidenboeken gaat terug tot de klassieke Oudheid. In de eerste eeuw na Christus schreef de Griekse natuurwetenschapper Dioscorides de Materia medica. Dit vijfdelige werk vormde de voornaamste bron voor latere kruidenboeken, gedurende de gehele Middeleeuwen en tot in de Renaissance. In deze middeleeuwse herbaria is de tekstuele informatie over de planten belangrijker dan de visuele. De hoofdstukjes zijn meestal alfabetisch gerangschikt, de illustraties zijn generiek en niet erg levensecht. Hun decoratieve waarde komt extra tot uitdrukking in symmetrische composities. Hoewel deze opzet van tekst en beeld eeuwenlang nauwelijks wijzigde, voegden latere auteurs wel nieuwe hoofdstukjes toe over lokale planten. Zo groeide de botanische kennis in de herbaria gestaag.

Gedrukte kruidenboeken

De middeleeuwse traditie zette zich voort na de uitvinding van de boekdrukkunst. Aan het eind van de vijftiende eeuw begonnen Duitse geneesheren en apothekers met het drukken van kruidenboeken. Die waren veelomvattender dan hun middeleeuwse voorgangers, alhoewel ze nog steeds in belangrijke mate op de Materia medica waren gebaseerd. In korte tijd verschenen diverse invloedrijke Duitse uitgaven, waaronder de Duitse of kleinere Ortus sanitatis, gedrukt door Peter Schöffer in Mainz in 1485. De Nederlandse Groten herbarius is hier een vertaling van, die dus nog duidelijk in de middeleeuwse traditie staat. Voor de illustraties greep Claes de Grave terug op een ander Duits voorbeeld, namelijk de Latijnse Ortus sanitatis, die voor het eerst werd gedrukt in 1491 door Jacob von Meydenbach in Mainz. De Grave wijzigde wel iets in de compositie: terwijl de houtsneden in de Ortus sanitatis doorgaans uit rechthoekige blokken zijn gesneden en daarom een langgerekte vorm hebben, zijn de composities bij De Grave ineengedrongen tot een bijna vierkant formaat. Zijn houtsneden hebben een gedrukte rand waar de planten soms maar net binnen passen.

Levensechte illustraties?

Op hedendaagse lezers zullen de illustraties niet direct indruk maken vanwege hun accuraatheid. Toch worden ze in Den groten herbarius en zijn Duitse voorgangers gepresenteerd als een belangrijk onderdeel van het boek. Om te beginnen blijkt dit al uit de nadruk waarmee ze vermeld worden in de titel van de editie uit 1514 (het titelblad van het Utrechtse exemplaar uit 1526 ontbreekt helaas): Den groten herbarius met al sijn figueren [...].

Minstens zo interessant is een lange passage in de proloog over hoe de illustraties tot stand zijn gekomen. Deze proloog in Den groten herbarius is letterlijk vertaald uit de kleinere Ortus sanitatis van 1485. De anonieme auteur verklaart erin dat hij er lang over heeft gedaan om het werk te voltooien. Omdat veel van de planten die hij beschrijft niet in de Duitse landen groeien, kon hij ze niet anders correct afbeelden “dan van hooren segghen”. Toen hij op pelgrimstocht ging naar het Heilig Land, vroeg hij een bekwaam schilder (wiens naam niet genoemd wordt) mee, zodat het werk daarna kon worden voltooid met natuurgetrouwe afbeeldingen gebaseerd op eigen waarnemingen. Om de betrouwbaarheid van de illustraties te benadrukken, somt de auteur alle landen op waar hij en de schilder doorheen zijn gereisd.

Twee exemplaren in de Bijzondere Collecties

De Universiteitsbibliotheek Utrecht bezit twee exemplaren van Den groten herbarius. Deze gedigitaliseerde versie is een herdruk uit 1526 van Claes de Graves eerste Nederlandstalige editie van 1514. Het andere exemplaar is van de editie uit 1547 gedrukt door Symon Cock (Rariora qu 294). Hierin bevinden zich grotendeels dezelfde houtsneden, maar de layout van het boek is net anders.

Het exemplaar uit 1526 is na de zestiende eeuw opnieuw ingebonden. De eerste vier bladen ontbreken, inclusief het titelblad. Ook blad k1, k4, en het laatste blad M4 zijn verdwenen. In zijn huidige vorm bevat het boek ruim 430 houtsneden, merendeels voorstellingen van planten. Een kleiner aantal illustraties verbeeldt dieren, en mensen die de beschreven grondstoffen en natuurlijke materialen delven of gebruiken. Verder bevat het boek een paginagrote anatomische voorstelling van een skelet, waarin alle botten afzonderlijk zijn aangeduid (fol. H3v). Soms is een houtblok meerdere keren gebruikt, bij verschillende hoofdstukken. Zo hebben de hoofdstukken over honing en over was (hst. 137, fol. m3v, en hst. 274, fol. x6r) dezelfde illustratie met twee bijenkorven. Bij de hoofdstukken over goud en zilver is zelfs in één oogopslag, op een dubbele pagina, tweemaal dezelfde houtsnede te zien (hst. 38-39, fol. d4v-e1r).

Verder lezen

  • Baumann, Helmut & Brigitte, Die Mainzer Kräuterbuch-Inkunabeln: «Herbarius Moguntinus», «Gart der Gesundheit» und «Hortus Sanitatis»: wissenschaftshistorische Untersuchung der drei Prototypen botanisch-medizinischer Literatur des Spätmittelalters (Stuttgart 2010).
  • Blunt, Wilfrid & Sandra Raphael, The illustrated herbal (New York, 1979).
  • Chavannes-Mazel, Claudine A., & Linda IJpelaar, De groene middeleeuwen: duizend jaar gebruik van planten (600-1600) (Eindhoven, 2016).
  • Payne, Joseph Frank, On the Herbarius and Hortus Sanitatis: a paper read before the Bibliographical Society, January 21, 1901 (London, 1901).
  • Saunders, Gill, Picturing plants: an analytical history of botanical illustration, 2nd edn (Chicago & London, 2009).

 

 

 

 

 

Jessie Wei-Hsuan Chen en Andrea van Leerdam, april 2017
Mandragora v4v (alruin)
H6r Pagina uit de index
Berenclau / Berenklauw / Heracleum
Goud
Erweten en erweet cruit (pisa)
skelet

Den groten herbarius, met al sijn figueren, die Ortus sanitatis genaemt is  om die crachten van alle cruyden te wetene metter tafelen in latijn ende duysche (Utrecht UB:  Rariora qu 133). [Antwerpen: Claes di Grave, 1526]