Het strafrecht op de pijnbank

Discussies over strafrecht zijn van alle tijden en alle culturen. Zo ook in de 18de eeuw, toen vooral in Italië en Frankrijk felle discussies werden gevoerd over bewijsvoering en strafmaat. Ook in de Republiek werd gedacht aan hervormingen. In 1777 en 1780 verschenen er twee werken die hierover hun mening gaven, geschreven door respectievelijk Jan Samuel Amalry en Hendrik Calkoen. Moest van hen het strafrecht zèlf op de pijnbank?

De carrière van Hendrik Calkoen

Hendrik Calkoen werd op 13 augustus 1742 geboren te Amsterdam. Calkoen studeerde rechten in Leiden tussen 1761 en 1765 en legde na zijn promotie de ‘eed van getrouwigheid’ af in handen van de president van het Hof van Holland. Hij verscheen volgens M.C. van Hall niet veel in de rechtszaal maar wel zou hij regelmatig juridisch advies hebben uitgebracht. In 1781 volgde Calkoen zijn vader op als klerk van de Amsterdamse politieke secretarie. Deze functie bleef hij vervullen tot 1796, toen hij door de Amsterdamse raad werd ontzet wegens vermoede sympathieën voor het voormalige ‘Oranje- en Aristocratisch bestuur’. Na zijn ontslag legde Calkoen zich wederom toe op de advocatuur, waar zijn activiteiten opnieuw relatief beperkt lijken te zijn geweest. Op 17 juni 1818 stierf hij.

De prijsvraag

Calkoen is gedurende zijn volwassen leven actief betrokken geweest bij discussies over actuele politieke en andere kwesties. Het merendeel schreef hij onder zijn pseudoniem Christianus Batavus. In 1778 won Calkoen onder zijn eigen naam de eerste prijs op een prijsvraag van het genootschap ‘Floreant Liberales Artes’. De vraag luidde: “welke zijn de beste schikkingen omtrent het straffen der misdaaden in eene welgestelde maatschappij; met eene bijzondere bepaling op deeze Republiek”. De inzending van Calkoen was getiteld Verhandeling over het voorkomen en straffen der misdaaden en werd in 1780 gepubliceerd. Deze prijsvraag en het antwoord van Calkoen moeten worden gezien tegen de achtergrond van een sterk gegroeide interesse voor de hervorming van het strafrecht in de laatste vier decennia van de 18de eeuw. Frankrijk vormde het voorfront en het centrum van deze discussies. Hier laaide de discussie over het inhumane en arbitraire karakter van het strafrecht op, in het bijzonder na de polemische geschriften van Voltaire in de jaren 1760.

Beccaria’s invloed

Het centrale geschrift van de beweging voor de hervorming van het strafrecht kwam van de jonge Milanees Cesare Beccaria, getiteld Dei delitti e delle pene (‘Over misdaden en straffen’) in 1764. Het werd kort daarna in Frankrijk uitgegeven met een lovend voorwoord van Voltaire en verscheen in 1768 in een Nederlandse vertaling. Beccaria viel in het bijzonder de te zware straffen, het gebruik van de pijnbank en de rechtsverscheidenheid binnen het strafrecht aan. Van groot belang was het vraagstuk van het bewijsrecht. In geheel continentaal Europa bestond een systeem van rigide strafrechtelijke bewijsregels die een bekentenis of twee ooggetuigen vereisten voor veroordeling. Vanwege deze strenge vereisten werd de pijnbank gebruikt om bekentenissen af te dwingen.

Roep om hervormingen

In Frankrijk verscheen vanaf de jaren 1760 een ware stortvloed van pamfletten en essays die een totale hervorming van het strafrecht voorstelde op grond van de ideeën van Beccaria en die het oude systeem van bewijsregels wilde vervangen door een jury systeem. Hierin zou de jury op grond van slechts hun vrije innerlijke overtuiging oordelen over de schuldvraag, een hervorming die uiteindelijk ook ingevoerd is in 1791.

Calkoens kritiek

Calkoen wordt op basis van zijn verhandeling vaak genoemd als de Nederlandse Beccaria. Dit is echter een op zijn minst gedeeltelijk onjuiste benoeming, omdat Calkoen in feite een erg gematigde opstelling had en relatief weinig ingrijpende hervormingen voorstelde. Wel geeft hij aan dat zijn geschrift was geïnspireerd door het werk van Beccaria, maar vervolgens onderwerpt hij deze aan een kritische evaluatie waarin hij ook veel van zijn ideeën verwerpt. Zijn belangrijkste punt van kritiek op Beccaria was dat deze te weinig vanuit de praktijk sprak ‘en alleen uit de boeken schijnt te hebben gezien’. Dit was geen geheel onterechte opmerking aangezien Beccaria geen enkele praktijkervaring als jurist had, maar een meer principieel betoog hield op basis van algemene principes die in de hervorming van het strafrecht leidend zouden moeten zijn. Veel beter kan Jan Samuel Amalry de Nederlandse Beccaria worden genoemd, omdat deze de ideeën van Beccaria wel compleet omarmde en een meer ingrijpende hervorming van het strafrecht bepleitte.

Bescherming versus vergelding

Calkoen begint met het bepleiten dat het strafrecht een noodzakelijk kwaad is en slechts als laatste redmiddel moet worden gebruikt. Het voorkomen van misdaden kan in het algemeen beter geschieden door de werkelozen gelegenheid te bieden om hun eigen brood te verdienen en door de jeugd beter op te voeden. Desondanks zullen niet alle misdrijven voorkomen kunnen worden en heeft volgens Calkoen de samenleving op basis van het sociale contract het recht om misdadigers te straffen. Het criterium voor de strafbaarheid is bij Calkoen niet de ‘zedelijke boosheid’ van de daad maar de schadelijkheid hiervan voor de maatschappij. Op utilitaristische leest is het doel der straffen bij hem in de eerste plaats het beschermen van de maatschappij en niet zozeer de vergelding van het misdrijf. Hij stelt eveneens een codificatie van het strafrecht voor waarin de misdrijven klaar en duidelijk beschreven worden opdat men met zekerheid weet wat strafbaar is, welk artikel is overtreden en welke straf daarop staat. Een goed strafwetboek moet zo min mogelijk aan het oordeel van de rechter overlaten zodat het willekeur voorkomt.

Jury en doodstraf

Buiten deze ‘verlichte’ uitgangspunten had Calkoen een relatief gematigde opvatting over de hervormingen van het strafrecht. Deze opstelling van Calkoen is te zien in zijn behandeling van verscheidene onderwerpen waar de ‘verlichte’ juristen in het bijzonder voor pleiten. Zo stelde Beccaria dat de rechter verboden moest worden om de wet uit te leggen terwijl Calkoen meende dat dit praktisch onmogelijk was en dat er een zekere ruimte voor interpretatie aan de rechter moest worden gelaten. Ook is Calkoen weliswaar voorstander van een meer menslievend systeem van straffen, maar hierbij moet volgens hem niet in de fout worden vervallen van schrijvers als Beccaria die de belangen van de misdadigers boven die van de maatschappij stellen. Op grond van deze overweging is Calkoen voor de doodstraf en, opzienbarender, ook voor een weliswaar gerestringeerd gebruik van de pijnbank. Calkoen, die zeer grote waarde hecht aan de bekentenis, acht de voordelen van dit middel voor de maatschappij groter dan de nadelen. Ook hier vindt hij dat Beccaria het onderwerp te sterk benadert vanuit de belangen van de verdachte.

De toestand in de Republiek

Calkoen toont zich grotendeels tevreden over de stand van de strafrechtspleging in de Republiek en speciaal in zijn vaderstad Amsterdam. Hij meent dat de vele en schandelijke misbruiken waar de hervormers in Frankrijk zich over beklaagden, in de Republiek relatief weinig voorkwamen. Dit was volgens hem te danken aan het feit dat de rechters in de Republiek objectief en zorgvuldig rechtspraken. Calkoen stond niet alleen in deze mening, deze tevredenheid werd vrij algemeen gedeeld. Radicale voorstellen als de invoering van de jury rechtspraak – in Frankrijk grotendeels bepleit vanuit een wantrouwen tegen de vermeend corrupte rechters – zijn dan ook opmerkelijk genoeg vrijwel onbesproken in de Republiek voor de Bataafse omwenteling. Ook Calkoen maakt hiervan geen melding, terwijl deze in vrijwel iedere Franse verhandeling is terug te vinden. Discussies over het strafrecht in deze periode waren in de Republiek vrij mild van karakter. Er is echter ook wel een uitzondering op die regel.

Een radicaal geluid: Jan Samuel Amalry

Een meer kritische houding dan die van Calkoen is merkbaar in het werk van Jan Samuel Amalry. Amalry was geboren in 1750, vermoedelijk te Rotterdam. In 1775 voltooide Amalry zijn studie rechten in Leiden en het jaar daarop liet hij zich als advocaat te Amsterdam inschrijven. Hij vestigde zich daar ook en werd in 1777 toegelaten als lid van de Waalse gemeente. Kort daarna vertrok Amalry naar Rotterdam, huwde daar met Louise Ann Mason en zou daar blijven wonen. In het korte jaar in Amsterdam verscheen echter het werkje Beschouwinge der crimineele zaaken, dat hij derhalve op relatief jonge leeftijd schreef. Op 25 december 1811 overleed Amalry op het buitenverblijf Polderrust vlakbij Hillegersberg.

De Nederlandse Beccaria?

Amalry verdient wellicht het meest de titel ‘Nederlandse Beccaria’. Niet op basis van een grote of vernieuwende invloed die van Amalry is uitgegaan – er zijn maar weinig exemplaren van zijn werk gedrukt en het lijkt weinig invloedrijk te zijn geweest – maar veeleer omdat hij zich een groot voorstander van de ideeën van Beccaria betoont. Al op het eerste blad prijkt een citaat van Beccaria die hij vaak en met instemming aanhaalt. Het is relatief kort werkje, circa 100 pagina’s en heeft als doelstelling om de 'Rechten der menschen' te verdedigen en een aantal gebreken in de ‘Crimineele Jurisprudentie’ te bepreken. Het boekje bevat geen erg duidelijke structuur, is enigszins warrig opgesteld en bevat bovendien geen duidelijke kop of staart; het eindigt vrij abrupt zonder samenvatting of conclusie.

Bezwaren tegen de doodstraf

Amalry neemt net als Calkoen het sociale contract als uitgangspunt voor het recht van de maatschappij om te straffen. In tegenstelling tot Calkoen toont Amalry zich veel kritischer tegenover de bestaande strafrechtspraak en de onvolkomenheden in de strafwetten. Amalry bepleit dan ook verregaande hervormingen op de leest van het werk van Beccaria. Zo zet hij in hoofdstuk vier zijn bezwaren tegen de doodstraf uiteen en stelt dat deze ongeoorloofd en onnodig is. De straf moet slechts anderen afschrikken van het plegen van misdaden en moet leiden tot de bekering van de gestrafte. Voor de afschrikking is het belangrijker dat een (geringere) straf wordt opgelegd waarvan men zeker is hem niet te kunnen ontgaan, dan de meest ‘uitgezogste pijnigingen’. Ook stelt Amalry dat vaste straftarieven moeten worden vastgelegd in de wet om de arbitraire macht van de rechter in te perken.

Opkomen voor de verdachte

Amalry doet ten slotte in de laatste drie hoofdstukken – hoofdstuk zeven tot en met negen – nog verscheidene belangrijke voorstellen die het strafprocesrecht zouden moeten veranderen ten gunste van de verdachte. Zo is hij van mening dat de verdachte gebruik moet kunnen maken van rechtsbijstand, wat tot het einde van de 18de eeuw slechts zeer beperkt mogelijk was in de provincie Holland (in Friesland was deze mogelijkheid daarentegen veel groter). Ook stelt hij voor om de terechtzitting openbaar te maken en de mogelijkheden tot beroep te vergroten. In deze periode vond de strafprocedure voor ernstige zaken over het algemeen in het geheim plaats en waren de mogelijkheden om in beroep te gaan zeer beperkt. In het bijzonder was van belang dat iemand die bekend had, al was het onder de dwang van tortuur, niet in beroep kon gaan volgens de gewoonterechtelijke regel confessus not appellat.

Wangedrogt en zwavelkolk

In het laatste hoofdstuk houdt Amalry een betoog tegen het gebruik van de pijnbank die vooral uitblinkt in de krachtige termen waarin hij zich uitdrukt. Zo noemt hij de pijnbank een ‘natuur verkragtend wangedrogt, ten verderve by wylen van onschuldigen in de hel uitgebroeid en door een eerloos Tyran uit dien heillozen zwavelkolk opgebaggert’. Concluderend kan gezegd worden dat Amalry in veel grotere mate ‘verlichte’ hervormingen bepleitte dan veel van zijn tijdgenoten als Calkoen. Hij was hierin wellicht niet bijzonder origineel (hij volgde Beccaria vrij kritiekloos), maar des te enthousiaster.

Verder lezen

  • Bossers, G.F.M., Welk eene natie, die de jurij gehad heeft, en ze weder afschaft: de jury in de Nederlandse rechtspraktijk 1811-1813 (Delft, 1987).
  • Faber, Sjoerd, ‘Hendrik Calkoen (1742-1818)’; ‘Jan Samuel Amalry (1750-1811)’, in: T.J. Veen & P.C. Kop (ed.), Zestig juristen: bijdragen tot een beeld van de geschiedenis der Nederlandse rechtswetenschap (Zwolle, 1987), p. 176-180; 181-184.
  • Fijnaut, C., ‘Cesare Beccaria in de Noordelijke Nederlanden’, Delikt & Delinkwent 1990, nr. 3 (1990), p. 214-226.
  • Monté Verloren, J.Ph. de, Geschiedenis van de wetenschap van het strafrecht en strafprocesrecht in de Noordelijke Nederlanden voor de codificatie (Amsterdam, 1956).
  • Nagel, W.H. ‘Beccaria en Calkoen’, in: Tijdschrift voor strafrecht 77 (1968), p. 67-84.
  • Wall, Ernestine G.E. van der, Socrates in de hemel? Een achttiende-eeuwse polemiek over deugd, verdraagzaamheid en de Nederlandse kerk (Hilversum, 2000) [p. 55-61 about Calkoen].
18e eeuw
Boek
Ronnie Bloemberg, Juni 2015