Newton door de ogen van een amateur

Isaac Newtons Philosophiae naturalis principia mathematica wordt algemeen gezien als een van de belangrijkste publicaties op het gebied van de wetenschap. Zijn universele bewegingsleer en wetten van de zwaartekracht en zijn mathematische en empirische manier waarop hij de natuurkunde benaderde, zouden nog twee eeuwen lang het wetenschappelijke denken domineren. De ontvangst van de eerste editie van de Principia (1687), vooral op het continent, was van cruciaal belang voor de verspreiding van het Newtonianisme buiten de Britse Eilanden. Een nieuwe getuige van dit proces wordt nu in het voetlicht geplaatst: een exemplaar van de eerste editie van de Principia, geannoteerd door de Amsterdamse koopman, schrijver en amateurwiskundige Adriaen Verwer. Iemand die de eerste continentale Newtoniaan genoemd mag worden – ook al was hij het niet altijd met de Britse geleerde eens, en 'misbruikte' hij hem voor zijn eigen doeleinden.

De beroemde Sir Newton

Sir Isaac Newton (1642-1727) is samen met Albert Einstein (1879-1955) het meest beroemde icoon van de moderne wetenschap. Hoewel hij in 1669 professor in Cambridge werd, duurde het nog tot 1687, toen hij bijna 45 jaar oud was, dat zijn eerste boek werd gepubliceerd. Zijn Philosophiae naturalis principia mathematica ('Wiskundige principes van de natuurfilosofie') was gebaseerd op eigen onderzoek van de voorgaande decennia. Dit onderzoek ging daarna door, wat leidde tot een tweede editie in 1713, met daarin verschillende belangrijke correcties en aanpassingen, en een derde editie in 1726. Hoewel Newton nog andere werken publiceerde, bijvoorbeeld zijn Opticks in 1704, dankt hij zijn faam vooral aan de Principia.

De eerste editie van de Principia

Het handschrift van de Principia werd in april 1686 aan de Royal Society te Londen gepresenteerd. Er werd besloten dat het kon worden uitgegeven, onder supervisie van en betaald door Newtons vriend, de astronomicus Edmund Halley. Deze voegde zijn ode aan Newton toe aan de uitgave. Naar schatting werden er in de zomer van 1687 tussen de 250 en 400 exemplaren van de eerste editie van de Principia gedrukt (Koyré & Cohen 1971-2, 138). Rond de 50 exemplaren daarvan hadden de opdruk Prostant Venales apud Sam. Smith en waren bedoeld voor export naar het continent (Koyré & Cohen 1971-2, 852). Twaalf daarvan werden naar de Leidse boekhandelaar Pieter van der Aa gestuurd, die er in twee jaar tijd maar vijf van wist te verkopen (Jorink & Zuidervaart 2012, 21). Het is waarschijnlijk dat één van de vijf werd afgenomen door Adriaen Verwer, zelfs nog in 1687, als we mogen afgaan op het ex libris op zijn exemplaar.

Annotaties

Er bestaan verschillende geannoteerde exemplaren van de eerste druk van de Principia, afgezien van die van Newton en Halley zelf. In sommige daarvan had Newton zelf al handgeschreven correcties aangebracht (Koyré & Cohen 1971-2, 202-206). Het geannoteerde exemplaar van Gottfried Wilhelm Leibnitz (1646-1716) is in facsimile uitgegeven (Fellmann 1973). Het exemplaar van Verwer is echter uitzonderlijk uitgebreid geannoteerd. De eerste editie van de  Principia telt 495 pagina’s (afgezien van het voor- en nawerk), genummerd 1-383 en 400-510 (384-399 ontbreken zonder tekstverlies). Hiervan zijn er 190 geannoteerd, waarvan 35 alleen door onderstreping of met bijvoorbeeld pijltjes in de marge. Van de resterende 155 staan op de meeste een of twee korte annotaties of verwijzingen, maar op enkele tientallen pagina’s levert Verwer substantieel commentaar. Aan het einde zijn er vier handgeschreven pagina’s met indices en enkele aanvullende opmerkingen.

De veelzijdige Verwer

Adriaen Verwer (1654/5-1717) was iemand van enige importantie in de geleerde kringen van de Nederlanden in de decennia rond 1700. Hij was de zoon van een Rotterdamse doopsgezinde koopman en groeide op in een verdraagzaam milieu. Verwers vader Pieter en hijzelf verkeerden in kringen die contact hadden met filosofen zoals Pierre Bayle (1647-1706), die lange tijd in Rotterdam woonde en werkte, Jean le Clerc (1657-1736), die zich in Amsterdam vestigde, en John Locke (1632-1704), die vijf jaar lang in de Republiek verbleef (Van de Bilt 2009, 30-31, 34). Verwer verhuisde in 1680 naar Amsterdam en maakte naam als koopman, maar ook al theoloog, filosoof, taalkundige, wiskundige en als expert op het gebied van het zeerecht.

Een nieuwe filosofie

In het midden van de 17de eeuw werd in Utrecht en Leiden de nieuwe filosofie van René Descartes (1596-1650) gedoceerd. Als eerste universiteiten ter wereld omarmden zij, weliswaar niet zonder tegenstand, de moderne filosofie die uitging van het rationalisme en een geometrische en wiskundige benadering van natuurlijke fenomenen. Dit botste met en ondermijnde het gangbare Christelijke en Aristoteliaanse wereldbeeld. Baruch (Benedictus) Spinoza (1632-1676) trok deze lijn door, en beweerde dat God zelf aan de natuurwetten was gebonden, en die lieten bijvoorbeeld geen ruimte voor de wonderen die in het Christelijk geloof zo belangrijk waren. Ook wat in de Bijbel geschreven stond, werd door een sceptische bril bekeken. Velen waren bezorgd dat de rationalistiche en wiskundige benadering van God’s schepping leidde tot een schepping zonder God, en dus tot atheïsme. Ook bij Verwer gingen de alarmbellen rinkelen toen hij in 1682 Spinoza’s geschriften las, en hij besloot een boek te schrijven om hem te weerleggen.

Tegen Spinoza

In 1683 publiceert Verwer zijn ’t Momaensicht der atheistery … een grondige wederlegging van de tegenstrijdige waen-gevoelens en in ’t bysonder van de geheele sede-konst van Benedictus Spinoza. Hij verwijt Spinoza gebruik te maken van abstracte, hypothetische wiskunde, niet de toegepaste wiskunde die is gerelateerd aan de bestaande wereld, zoals bijvoorbeeld astronomie. Hij beschouwt de ideeën van Spinoza tevens als een cumulatie van eerdere opvattingen, beginnend met die van de Griekse filosofen (Israel 2001, 309-12; 2006, 449). Toch ontsnapt Verwer zelf ook niet aan de invloed van Spinoza’s concepten. Zijn uitgangspunt blijft echter dat het ware weten voortkomt uit empirische waarneming, een stellingname die in deze periode meer navolgers heeft in de Nederlanden, en aan de Universiteit van Leiden in bijvoorbeeld de medische colleges ook in de praktijk wordt gebracht. Door de natuur in al haar geledingen te observeren en te onderzoeken kan men beter Gods schepping begrijpen. ’t Momaensicht wordt een invloedrijk boek, en Verwer begint naam te maken in intellectuele kringen (Jongeneelen 1996).

De ontvangst van de Principia

De publicatie van Newton’s Principia in 1687 veroorzaakt buiten de Britse Eilanden nog weinig commotie. Newton stuurt een exemplaar naar Christiaan Huygens (1629-1695), op dat moment waarschijnlijk de beroemdste geleerde in Europa. Huygens bewondert Newton als wiskundige, maar heeft tegelijkertijd moeite met een aantal van zijn belangrijkste bevindingen. Hetzelfde geldt voor de Leidse hoogleraar Burchard de Volder (1653-1709), die Newton al in 1674 had ontmoet. De Volder was een doopsgezinde vriend van Spinoza die in Utrecht en Leiden was afgestudeerd. Hij was beroemd om zijn theatrum physicum voor natuurkundige demonstraties (Vermij 2003, 186-7; Jorink & Zuidervaart 2012, 20-21). Zoals gezien was Verwer een van de weinigen in de Republiek die ook de eerste druk van de Principia in bezit had.

Contacten met David Gregory

In 1691 ontvangt Verwer een brief van de Schotse wiskundige David Gregory, met het verzoek of hij voor hem contact wil leggen met Nederlandse wetenschappers. In zijn antwoord biedt Verwer Gregory aan om hem te introduceren bij de redacteur van de Bibliothèque universelle et historique, de bovengenoemde Jean Le Clerc. Dit was het enige tijdschrift in de Nederlanden dat een recensie van de Principia had geplaatst, anoniem geschreven door John Locke. Ook noemt Verwer de naam van De Volder. Als Gregory twee jaar later de Nederlanden bezoekt, ontmoet hij De Volder, en tevens Huygens. Met beiden wisselt Gregory later brieven uit. Al deze contacten getuigen van nauwe banden tussen de Schotse Newtonianan en Nederlandse wetenschappers, waarbij Verwer een belangrijke rol speelt.

De Amsterdamse kring

Gregory bezoekt ook Verwer, en tevens de makelaar Jan Makreel, een ander lid van de kring van Amsterdamse amateur-wiskundigen, met wie hij later brieven wisselde. Makreel stond ook in nauw contact met de Duitse wiskundige Ehrenfried Walther von Tschirnhaus (1651-1708), was in Engeland geweest, en had de werken van Newton onder de aandacht gebracht bij een derde lid van de kring, Bernard Nieuwentijt (1654-1718) – iemand die Gregory in ieder geval van naam kent (Vermij 1991, 17-18). Nieuwentijt was in 1676 in Utrecht afgestudeerd in de medicijnen, kort nadat hij van de Leidse universiteit was verbannen. In Purmerend was hij dokter en later regent. In de jaren 1694-1696 publiceert hij drie stukken over infinitesimaalrekening, waarin hij kritiek uit op Leibniz (die hier ook op reageerde). Newton is voor hem de grootste levende wiskundige (1696, 33).

Verwers Inleiding tot de Christelyke gods-geleertheid

In 1698 ziet een nieuw boek van Verwer het licht: Inleiding tot de Christelyke gods-geleertheid. Hij gaat in op de relatie tussen godgeleerdheid en natuurkundig onderzoek, en haalt daarbij Efeziërs 4:16 en Romeinen 1:20 aan om dit te rechtvaardigen. Ook hier is zijn uitgangspunt de waarneembare werkelijkheid, en dat Gods schepping te begrijpen is door deze nauwkeurig te bestuderen (Van de Bilt 2009, 43-46, vgl. Jorink 2006). Hij haalt hierbij de ovale baan van de planeten om de zon aan:

Dat, namelijk de draeyingen der Sonne, Mane en verdere Planeten geschieden niet in een Rond, maer in een Ovael of langwerping rond. (hier in komen de voornaamste Sterrekundigen nu volkomen over een: Johannes Kepler, Ismaël Bullialdis, Joan Dominico Cassini, Christiaen Huigens van Zuilichem, Johannes Flamsteed, Isaac Newton) nu en is’er immers geen middel nocht voege by den mensch te bedenken dat een Ovaelsche draeying ergens in kan uitgevoerd worden en geaende gehouden werden zonder tusschenkomste van een bestierder die buiten dezelve dingen bestaet. En wil yemand de waerheid van de Ovaelsche draeyingen breeder weten hy herkauwe maer rijpelijk den voornaemsten inhoud van ’t Latijnsche boek des gemelten Isaak Newton, geheten wiskunstige gronden der Natuerkennisse (1698, 13).

Newton en God

Dit is duidelijk Verwers interpretatie van Newton. In de eerste editie van de Principa voert Newton slechts eenmaal God ten tonele, op p. 415, in een passage waarvan het eerste deel door Verwer is onderstreept:

Collocavit igitur Deus planetas in diversis distantiis a sole, ut quilibet, pro gradu densitatis, calore solis majore vel minore fruatur ('Daarom plaatste God de planeten op verschillende afstanden van de zon, zodat elke (planeet), volgens de mate van zijn dichtheid, een grotere of kleinere hoeveelheid hitte van de zon kan genieten'; vgl. Cohen & Whitman 1999, 230-231).

In zijn ode op Newton aan het begin van de Principia is Edmund Halley echter zeer stellig in zijn deductie dat Newton de goddelijke wetmatigheden van het universum heeft blootgelegd (vgl. Cohen & Whitman 1999, 379-380). Maar van Verwers ovale banen rept hij niet.

Het lezen van het ‘Boek der Natuur’

Voor Verwer is Newton vooral van belang omdat deze voor het wetenschappelijke fundament zorgt voor de empirische methode die hij in ’t Momaensicht al aanvoert (Vermij 2003, 193). Het is nu duidelijk op welke manier Gods schepping - het ‘Boek der Natuur’, zoals het elders wordt genoemd - te lezen is; een manier die effectief afrekent met de theoretische constructies van Descartes en Spinoza. Ook zonder de Bijbel in hand kan het ontwerp van Gods schepping dus worden ontrafeld. Verwer is een van de eerste op het continent die dat beseft, en is daarmee ‘een vroege vertegenwoordiger van de fysico-theologie van de achttiende eeuw, de theologie die zich baseert op natuurwetenschappelijke gegevens, en de natuurwetenschap die bedreven wordt met nadrukkelijk theologische preoccupaties’ (Van de Bilt 2009, 48).

Een Newtoniaanse formule

Aan het einde van zijn Inleiding geeft Verwer nog een formule over Gods genade, vervat in een Newtoniaanse notatie (dialecta Newtoniana). Gelukkig legt Verwer de formule uit in zijn brief aan David Gregory van 1703 (Rigaud 1841, I, 248-253; Vermij 2003, 193-194). Verwer schrijft dat hij werd geïnspireerd door de Solutio problematis de inventoribus van de Schotse Newtoniaan en vriend van Gregory, Archibald Pitcairne (1652-1713), met wie Verwer ook correspondeerde (Vermij 2003, 195). Al mag de formule onbeholpen lijken, het toont aan dat Verwer tracht om theologie en natuurwetenschap in een Newtoniaans kader te plaatsen. In zijn brief aan Gregory vertelt Verwer verder dat Newtons werk in Amsterdam enthousiast wordt bestudeerd, ook door Verwer zelf: ‘Ik besteed elk resterend uur aan het boek van Newton … en met de dag sta ik meer en meer versteld van de geest van die man’ (Noordegraaf 2002, 2). Verwer schrijft zelfs dat hij twee exemplaren van zijn Inleiding heeft meegegeven aan Guilielmus Moncrief, een om aan Newton te geven, de ander aan de bisschop van Salisbury.

De aantekeningen (adversaria) van een Anonymus Batavus

Er is naast Newton echter een ander onderwerp dat bij Verwer op de voorgrond treedt: de taalkunde. In 1707 publiceert hij zijn Linguae Belgicae idea, grammatica, poetica, rhetorica; deprompta ex adversariis Anonymi Batavi: in usum proximi amici ('Begrip van de Belgische [Nederlandse] taal: grammatica, dichtkunst, rhetoriek; ontleend aan de notities van een anonieme Batavier [Nederlander], voor het gebruik van een naaste vriend'). Hij doet dit anoniem, omdat hij zichzelf geen schrijver van naam vindt. Hij bekritiseert hierin de grammatica van Arnold Moonen (Nederduitsche spraakkunst uit 1706), die vooral gestoeld is op de werken van grote namen zoals Joost van den Vondel. Verwer gaat ook bij het opstellen van taalkundige wetten uit van het waarneembare, in dit geval het  spraakgebruik, om zodoende een onderliggende systematiek te kunnen beredeneren – geheel in overeenstemming dus met zijn voorafgaande publicaties.

Letterkundige brieven

De reactie van Moonen brengt Verwer ertoe om twee open brieven over de kwestie te schrijven naar David van Hoogstraten, de tekstbezorger van Linguae Belgicae idea, en in 1709 een aan Adriaan Reland (1676-1718), hoogleraar Oosterse talen te Utrecht (Jongeneelen 1996, 17; Van de Bilt, 2002). Hij benadrukt in de laatste nog eens: ‘Ik houde van geene gefabrijkte regelen, die zoo vele exceptien overlaten, alsze groot zijn’ (32, vgl. Van de Bilt & Noordegraaf 2000, xiv). Het is alsof we een echo horen van Newtons beroemde uitspraak hypotheses non fingo (‘Ik verzin geen hypotheses’).

Verwers invloed op de Nederlandse taalkunde

Verwers werk in de periode 1707-1709 was van diepgaande invloed op de twee belangrijkse Nederlandse taalkundigen van de 18de eeuw, Lambert ten Kate (1674-1731) en Balthazar Huydecoper (1695-1778) (Van de Bilt en Noordegraaf 2000, xiii; Van de Bilt 2009, 34). De eerste was net als zijn vriend Verwer een doopgezinde handelaar, die op diens aandringen Gemeenschap tussen de Gottische spraeke en de Nederduytsche (1710) schreef. Het eerste deel bestaat uit een brief aan A.V., oftewel Adriaen Verwer. Als bijlage heeft het een samenvatting in het Frans van Jean le Clerc. In 1716 publiceerde Ten Kate een vertaling van het fysico-theologische werk Philosophical principles of natural religion (1705; 2e editie 1715) van de Schot George Cheyne (1671-1743), een correspondent van Verwer.

Verwer en het maritiem recht

Verwers laatste publicatie brengt hem het verst van zijn natuurfilosofische en theologische interesses. In 1711 verschijnt Nederlants see-rechten, avaryen en bodemeryen. Hierin onderzoekt Verwer de rechtsgeldigheid van een aantal maritieme wetten vanuit het historisch perspectief. Zijn insteek is niet zozeer juridisch en theoretisch, maar gericht op de praktijk – ook hier gaat hij dus uit van het waarneembare. Tevens doet hij een aantal taalkundige observaties. Het werd Verwers grootste succes, getuigde de herdrukken in 1716, 1730 en 1764 (Hermersdorf 1967; Van de Bilt 2009, 37).

Verwers laatste jaren

Van 1711 tot aan zijn dood in 1717 zijn er geen publicaties van Verwer meer verschenen, maar dit houdt geenszins in dat hij van het toneel was verdwenen. Het is duidelijk dat hij een indrukwekkend internationaal netwerk had opgebouwd waarin hij direct of indirect contact had met een hele serie aan vooraanstaande geleerden en geïnteresseerden. Zijn aantekeningen in de Principia tonen aan dat hij na 1711 weer terugkeerde naar zijn oude liefde: de wiskunde.

Verwers aantekeningen in de Principia

Wie de aantekeningen van Verwer losjes doorbladert, ziet al vrij snel dat hij bekend is met een aanzienlijk aantal wiskundigen en astronomen van naam. Chronologisch gaat dit van Euclidius en Archimedes tot aan tijdgenoten zoals Spinoza en Huygens. De meest geciteerde auteur is David Gregory. De meeste recente publicatie die hij aanhaalt (op p. 251) is Charles Hayes, Treatise on Fluxions (Londen, 1704), waarin Newtons infinitesimaalrekening wordt uiteenzet. Alle aantekeningen zijn in het Latijn, soms wordt er iets in het Grieks geschreven, en een enkele keer is een notitie of woord in het Nederlands.

Aantekeningen over mechanica, 1713

Wanneer Verwer zijn annotaties toevoegde is onduidelijk, en aan de inkt en het schrift te zien kan dat op verschillende tijdstippen zijn gebeurd. Maar er zijn belangrijke aanwijzingen dat de laatste fase plaatsvond in of na 1713. Op p. p. 237 staat onder een aantal notities in de marge: Correctiora haec nobis sunt in Adversariis mechanicis. 1713 ('Deze correcties van ons zijn in de Aantekeningen over mechanica, 1713'). Eenzelfde opmerking staat onderaan p. 251. Het lijkt er sterk op dat Verwer het hier overigens heeft over correcties op Newtons tekst, maar dit moet via een inhoudelijke analyse verder onderzocht worden. Verwer verwijst vaker naar dit aantekenboekje, bijvoorbeeld op p. 374 vide adversaria nostra ('zie onze aantekeningen'), of p. 375 inspice adversaria 1713 ('raadpleeg de aantekeningen, 1713'). Het kan zijn dat hij zijn uitgebreidere commentaren en correties niet in de marge van de Principia schreef, maar verzamelde in een wat algemener aantekenboekje over mechanica, dat waarschijnlijk verloren is gegaan. We hebben al eerder gezien dat hij de inhoud van zijn taalkundige Linguae Belgicae idea haalde ex adversariis (uit aantekeningen).  

Gregory en Slusius

Een ander soort verwijzing vinden we op p. 250: vide adnotata nostra ad D. Gregorii exercitationum geometricam ('zie onze notities op/bij D(avid) Gregory, Excercitatio geometrica (uit 1684)'), en op p. 283: uti in Adversariis ad SLUSII miscellanae ('zoals in de Aantekeningen op/bij (René-Francois de Sluse of) Slusius, Miscellanea (uit 1668)'). De termen adnotata en adversaria kunnen beide verwijzen naar aantekenboekjes of aantekeningen die in een boek zijn toegevoegd, zoals Verwer bij de Principia heeft gedaan. Voegde hij ook dergelijke aantekeningen toe in zijn exemplaren van de werken van Slusius en Gregory? Of gaat het ook hier om aparte aantekenboekjes?

Verwers analyse van de Principia

Uit de inhoud van Verwers aantekeningen blijkt dat hij ze maakte voordat hij een exemplaar van de tweede editie van de Principia, gepubliceerd in 1713, in handen kreeg. Er zijn wel verwijzingen naar de tweede en derde editie (uit 1726), bijvoorbeeld op pp. 39-41, maar deze zijn geschreven na Verwers dood door een onbekende hand. Dit is belangrijk om te weten, want we krijgen zo een beeld van hoe Verwer als amateur-wiskundige de inhoud van de eerste editie van de Principia verwerkte – en dat is een unieke gelegenheid. Voor een beter beeld hierover worden Verwers annotaties getranscribeerd op Annotated Books Online (ABO).

Herkomst

Het geannoteerde exemplaar van de Principia heeft nu als signatuur R qu 291, maar er staat op het schutblad ook een plakker met Bibliotheek Theologische Hogeschool Amsterdam, met hierin geschreven Depot N 3. Eenzelfde plakker op de binnenkant van het kaft bevat het stempel 27 feb. 1984. Een deel van de bibliotheek van de Katholieke Theologische Hogeschool Amsterdam (KTHA) werd in 1999 verkregen door de Universiteitsbibliotheek Utrecht. Het boek met de oude signatuur Depot N 4 werd ook door de KTHA op 27 feb. 1984 verkregen. Het gaat om Richard Simon, Histoire critique du Vieux Testament (Rotterdam, 1685), waarop een plakker met een ex libris te vinden is: Bibliotheca Seminarii Warmondani, dono dedit Rev. Pl. Dom. Th. Borret, SS. Theol. Doctor, en een handgeschreven ex libris van Theodori Borret. Hoewel Verwers exemplaar van de Principia waarschijnlijk uit een andere bibliotheek kwam, zijn ze vrijwel zeker op dezelfde verkoop door de KTHA aangekocht. Het is echter nog onbekend om welke verkoop of veiling dat ging. De bibliotheek van Verwer werd van 13-15 okt. 1723 te Amsterdam geveild. De advertenties spreken van de verkoop van zijn meest rechtsgeleerde en mathematische boeken in verschillende talen. Er is geen veilingcatalogus bekend.

De bijdrage  van Verwer aan het Newtonianisme

Het is algemeen bekend dat de zegetocht van Newton op het continent begon met de publicatie van de tweede editie van de Principia in 1713. Een jaar later werd er een illegale uitgave geproduceerd in Amsterdam, en in en om 1715 wordt er zo veel over Newton in de Republiek gepubliceerd en gesproken dat Eric Jorink en Huib Zuidervaart (2012) opperen dat het om een gezamenlijke actie gaat van Nederlandse geleerden (zoals Willem Jacob ’s Gravesande en Herman Boerhaave), drukkers, redacteurs (zoals Jean le Clerc) en amateur-wiskundigen (zoals Bernard Nieuwentijt) om Newton nu eens goed op de kaart te zetten. Het verhaal van de verspreiding van het Newtonianisme in de Nederlanden kan worden gevolgd in hun publicatie ‘“The Miracle of Our Time” How Isaac Newton was fashioned in the Netherlands’, het eerste hoofdstuk in E. Jorink & A. Maas (ed.), Newton and the Netherlands. How Isaac Newton was fashioned in the Dutch Republic (Leiden, 2012). Verwer zorgde, samen met Jean le Clerc en Bernard Nieuwentijt, voor een vruchtbare voedingsbodem voor de ideeën van Newton, ook al gebruikten zij hem vooral als afweermiddel tegen de nieuwe filosofie van Descartes en Spinoza. De centrale en inspirerende rol van Verwer middels zijn veelzijdigheid en netwerk van geleerden en onderzoekers was hierbij van groot belang. Hij mag deshalve gezien worden als de eerste continentale Newtoniaan. En dat is niet slecht voor een amateur!

Verder lezen

Bilt, Igor van de (ed.), Daer moet maer naerstig gelezen worden. Brieven over taalkunde (1708-1709) (Münster, 2002).

-----, Taalkundige geschriften. Met de Letterkonstige, dichtkonstige en redenkonstige schetse van de Nederduitsche tale, uit het Latijn vertaald door Adriaan Kluit en taalkundige brieven van Willem Séwel en Arnold Moonen (Amsterdam, 2005).

-----, Landkaartschrijvers en landverdelers: Adriaen Verwer (ca. 1655-1717), Adriaan Kluit (1735-1807) en de Nederlandse taalkunde van de achttiende eeuw (Amsterdam, 2009).

Bilt, Igor van de & Jan Noordegraaf (ed.), Adriaen Verwer, Letterkonstige, dichtkonstige en redenkonstige schetse van de Nederduitse tale. Uit het Latijn vertaald door A. Kluit naar de editie van 1707 (Münster, 2000).

Cheyne, George, Philosophical principles of natural religion (Londen, 1705; 2de editie 1715).

Cohen, F., Newton en het ware weten (Amsterdam, 2010).

Cohen, I. Bernard, & Anne Whitman (ed.), Isaac Newton: The Principia. Mathematical principles on natural philosophy: a new translation … preceded by a guide to Newton’s Principia (Berkeley, CA, 1999).

Driel, L.F. van, ‘Eene geauctoriseerde tale. Adriaen Verwer, koopman, jurist en taalliefhebber’. In: Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek 13 (1992), p. 121-143.

Fellmann, E.A. (ed.) & J.F. Courtine, G. W. Leibnitz, Marginalia in Newtoni Principia mathematica (Parijs, 1973).

Guicciardini, Niccolò, Reading the Principia. The debate on Newton’s mathematical methods for natural philosophy from 1687 to 1736 (Cambridge, 1999).

Hermersdorf, B. H. D., ‘Adriaen Verwer (1655-1717) en de Ordonnance de la marine (1681)’. In: Rotterdams Jaarboekje 7e reeks, 5e jrg (1967), p. 227-261.

Israel, Jonathan, Radical enlightenment. Philosophy and the making of modernity 1650-1750 (Oxford, 2001).

-----, Enlightenment contested. Philosophy, modernity, and the emancipation of man 1670-1752 (Oxford, 2006).

Jansen, T. A. J. M., et al. (ed.), Schets van de Nederlandse taal; grammatica, poëtica en retorica. Naar de editie van E. van Driel vertaald door J. Knol. Met een fotomechanische herdruk van Anonymus Batavus' Idea linguae Belgicae grammatica, poetica et rhetorica bezorgd door Everhardus van Driel, Leiden 1783 (Amsterdam/Münster, 1996).

Jongeneelen, Gerrit, ‘Disguised Spinozism in Adriaen Verwer’s Momaensicht’,  In: Wiep van Bunge & Wim N. A. Klever (ed.), Disguised and overt Spinozism around 1700:  papers presented at the international colloquium, held at Rotterdam, 5-8 October, 1994 (Leiden, 1996), p. 15-21.

Jorink, Eric, Het boeck der natuere: Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping, 1575-1715 (Leiden, 2006). English translation: Reading the book of nature in the Dutch golden age, 1575–1715 (Leiden, 2010).

-----, ‘Honouring Sir Isaac, or, Exorcising the ghost of Spinoza’. In: Steffen Ducheyne (ed.), Future perspectives on Newton scholarship and the Newtonian legacy in eighteenth-century science and philosophy. 28 September 2007 (Brussel, 2009), p. 23-34.

Jorink, Eric & Huib Zuidervaart, ‘“The miracle of our time” How Isaac Newton was fashioned in the Netherlands’. In: E. Jorink & A. Maas (ed.), Newton and the Netherlands. How Isaac Newton was fashioned in the Dutch Republic (Leiden, 2012), p. 13-65.

Kate, Lambert ten, Gemeenschap tussen de Gottische spraeke en de Nederduytsche, vertoont: By eenen brief nopende deze stoffe. By eene lyste der Gottische woorden, gelykluydig met de onze, getrokken uyt het Gothicum Evangelium. By de voorbeelden der Gottische declinatien en conjugatien, nieulyks in haere classes onderfcheyden. Alles gerigt tot Ophelderinge van den Ouden Grond van t Belgisch (Amsterdam, 1710; reprint Amsterdam, 2002).

-----, Den schepper in Zyn bestier te kennen in Zyne schepselen; Volgens het Licht der Reden en Wiskonst. Tot Opbouw van Eerbiedigen Godsdienst en Vernietiging van alle Grondslag van Atheïstery, als mede tot een regtzinnig gebruyk van de philosophie (Amsterdam, 1716).

Koyré, Alexander & I Bernard Cohen (ed.), Isaac Newton’s Principia. 3 vols (Cambridge, 1971-2).

Nieuwentijt, Bernard, Considerationes circa analyseos ad quantitates infinite parvas applicatae principia, et calculi differentialis usum in resolvendis problematibus geometricis (Amsterdam, 1694).

-----, Analysis infinitorum, seu curvilineorum proptietates ex polygonorum natura deductae (Amsterdam, 1695).

-----, Considerationes secundae circa calculi differentialis principia; et responsio ad virum nobilissimum C. G. Leibnitium (Amsterdam, 1696).

-----, 'Traite sur un nouvel usage des tables de sinus et des tangentes au moyen de s'en servir sans qu'il soit necessaire de multiplier et de diviser'. In: Journal literaire (1714), p. 166-174.

-----, Het regt gebruik der werelt beschouwingen, ter overtuiginge van ongodisten en ongelovigen (Amsterdam, 1715).

-----, Gronden van zekerheid, of de regte betoogwijze der wiskundigen, so in het denkbeeldige, als in het zakelijke: ter wederlegging van Spinosaas denkbeeldig samenstel; en ter aanleiding van eene sekere sakelijke wysbegeerte (Amsterdam, 1720).

Noordegraaf, Jan, ‘Amsterdamse kringen. Taalkunde en theologie rond 1700’. In: Fred de Bree, Marijke Spies & Roel Zemel (ed.), ‘Teeckenrijcke Woorden’ voor Henk Duits (Münster, 2002), p. 235-252.

Pitcairn, Archibald, Solutio problematis de historicis, seu De inventoribus (Edinburgh, 1688; Leiden, 1693).

Rigaud, Stephen Jordan, Correspondence of scientific men of the seventeenth century … in the collection of … the Earl of Macclesfield. 2 vols (Oxford 1841; reprint Hildesheim, 1965).

Vermij, Rienk, 'Religion and mathematics in seventeenth-century Holland: the case of Bernard Nieuwentijt'. In: Ä. Bäumer & M. Büttner (ed.), Science and religion / Wissenschaft und Religion. Proceedings of the XVIIIth International Congress of History of Science at Hamburg-Munich, 1-9 August 1989 (Bochum 1989), p. 152-157.

-----, Secularisering en natuurwetenschap in de zeventiende en achttiende eeuw: Bernard Nieuwentijt (Amsterdam, 1991).

-----, ‘The formation of the Newtonian philosophy: the case of the Amsterdam mathematical amateurs’. In: British journal for the history of science 36 (2003), p. 183-200.

-----, 'Nature in defence of Scripture. Physico-theology and experimental philosophy in the work of Bernard Nieuwentijt'. In: K. van Berkel & A. Vanderjagt (ed.), The book of nature in early modern and modern history (Leuven etc., 2006), p. 83-96.

Verwer, Adriaen, ’t Mom-aensicht der atheistery afgerukt door een verhandeling van den aengeboren stand der menschen, ervattende niet alleen een betoogh van de rechtsinnige stellinge; maer ook voornamentlijk een grondige wederlegging van de tegenstrijdige waen-gevoelens en in ’t bysonder van de geheele sede-konst van Benedictus de Spinoza (Amsterdam, 1683).

-----, Inleiding tot de Christelyke gods-geleertheid (Amsterdam, 1698).

-----, Linguae Belgicae idea, grammatica, poetica, rhetorica; deprompta ex adversariis Anonymi Batavi: in usum proximi amici (Amsterdam, 1707).

-----, ‘Brief, door den ongenoemden schryver der Idea, of Schetse der Nederduitsche spraekkunst, aen den heere David van Hoogstraten.’ In: De boekzaal der geleerde werreld van may en juny (1708), p. 524-556. [zie ook Van der Bilt 2005, p. 95-112]

-----, ‘Brief, door den ongenoemden schryver der Idea grammatica, &c. ofte Schetse der Nederduitsche taelkunst aen den heere David van Hoogstraten over de echte Nederduitsche vocaelspellinge.’ In: De boekzaal der geleerde werreld van september en october (1708), p. 353-379. [zie ook Van der Bilt 2005, p. 127-141]

-----, Brief aen den heere Adriaen Reland, professor der Oostersche talen in de Academie tot Utregt, vanden schryver der Linguae Belgicae idea grammatica; & c. tot rekenschap vande aenmerkingen vanden heer Arnold Moonen op dezelve Idea; en van ’t richtig Nederduitsch, zoo als door onze hooge overheidt gebruikt is in hare nieuwe overzetting des Bybels (Utrecht, 1709). [zie ook Van der Bilt 2005, p. 155-181]

-----, Nederlants seerechten, avaryen en bodemeryen, begrepen in de gemeene costuimen vander see; de placcaten van keiser Karel den Vijfden, 1551; en koning Filips den II. 1563; ’t Tractaet van Mr. Quintyn Weitsen van de Nederlantsche avaryen; ende daerenboven in eene verhandelinge nopende het recht der Hollantsche bodemeryen, verklaert met aenteikeningen, ook met keurige bijlagen, en ’t laetste nieuw-gemaekt (Amsterdam, 1711).

Westfall, Richard S., Never at rest. A biography of Isaac Newton (Cambridge, 1980; paperback editie 1983).

BJ, april 2013
Sir Isaac Newton door Sir Godfrey Kneller, 1702, National Portrait Gallery, Londen
Newton, Principia, eerste editie, titelpagina
ex libris Adriaen Verwer
Newton, Principia, eerste editie, p. 50
Newton, Principia, eerste editie, p. 56
Newton, Principia, eerste editie, p. 57
Newton, Principia, eerste editie, p. 174
Newton, Principia, eerste editie, p. 251: Charles Hayes
Newton, Principia, eerste editie, p. 251: Adversaria Mechanicae 1713
Newton, Principia, eerste editie, p. 374
Newton, Principia, eerste editie, p. 497: Grote Komeet van 1680-1681
Newton, Principia, eerste editie, p. 513: index van Verwer
Newton, Principia, eerste editie, p. 515: index van Verwer
Newton, Principia, eerste editie, p. 259: verwijzing naar 2e en 3e editie
Newton, Principia, eerste editie, stemple KTHA
Titelpagina van 't Momaensicht
Verwers formule in zijn Inleiding ...

Isaac Newton, Philosophiae naturalis principia mathematica (Rariora qu 291), London: Joseph Staeter, 1687. Met annotaties van Adriaen Verwer (1642-1717).