Van rups tot vlinder: de metamorfoses van Merian

Sinds Aristoteles werd lange tijd aangenomen dat rupsen en vlinders bestaan uit vuil en modder. Voor de beestjes had men dan ook weinig waardering. Maria Sibylla Merian (1647-1717) dacht daar heel anders over. Zij bleek gefascineerd door de bijzondere levensloop van deze dieren en hun wonderlijke metamorfoses. Die fascinatie culmineerde in 1705 in het wonderschone boek over de vormen en gedaanteverwisselingen van tropische insecten in Suriname, Metamorphosis insectorum Surinamensium.

Geslacht van kunstenaars

Maria Sibylla Merian was de dochter van de in Frankfurt gevestigde Duits-Zwitserse schilder, graveur en uitgever Matthäus Merian de Oude (1593-1650). Zij was drie jaar oud toen deze overleed. Maria’s moeder hertrouwde met de kunstschilder Jacob Marrel (1614-1681), die een jaar tevoren vanuit Utrecht naar Frankfurt was verhuisd om daar een kunsthandel en atelier te beginnen. Hij legde zich toe op bloemen- en vruchtenstillevens, die toen steeds meer in de mode kwamen.

Gedegen teken- en schildersopleiding

Op aandringen van haar stiefvader kreeg Maria vanaf haar elfde jaar een gedegen teken- en schildersopleiding. Als onderwerpen koos ze bij voorkeur bloemen en insecten. Ze ontdekte dat uit rupsen vlinders ontstaan via de gedaanteverwisseling tot pop of zijdecocon en dat elke soort rups op een bepaalde plant zijn voedsel vindt. Ze maakte tekeningen waarop zoveel mogelijk de rupsen met hun soortspecifieke voedsterplant, de eigen cocon of pop en de eruit komende vlinder worden afgebeeld. Vanaf 1675 verrichtte ze systematisch onderzoek op dit gebied.

Watervaste verfsoorten

Uit haar in 1665 met de kunstschilder Johann Andreas Graff (1636-1701) gesloten huwelijk werden twee dochters geboren. Het gezin woonde in Neurenberg, waar Maria zeer veel tekende en schilderde en haar entomologisch onderzoek voortzette. Met kleurstoffen die ze zelf uit planten bereidde, wist ze watervaste verfsoorten te verkrijgen, waarmee ze textiel beschilderde. De zo aangebrachte versieringen verkleurden niet en trokken door de stof heen, zodat aan beide zijden een even duidelijke afbeelding ontstond.

Naam maken vanuit Utrecht

Maria’s bloementekeningen werden veel gevraagd als borduurvoorbeelden. Haar stiefvader, die zich inmiddels weer in Utrecht gevestigd had, verkocht haar werk in zijn kunsthandel ter plekke. Maria begon dus in die periode vanuit Utrecht naam te maken in Nederland.

Rariteitenkabinetten

Tussen 1675 en 1680 verscheen in Neurenberg haar driedelige bloemenboek en in 1679 het eerste deel van haar werk over het voedsel en de gedaanteverwisseling van de Europese rupsen. De beide latere delen verschenen in 1683 in Frankfurt en postuum in 1717 in Amsterdam. Vermoedelijk in 1685, na het mislukken van haar huwelijk, nam ze met haar moeder en dochters haar intrek in de Labadistenkolonie – een religieuze commune – in het Friese dorp Wiuwert (Wieuwerd). Hier had kort daarvoor ook de befaamde theologe en en taalkundige Anna Maria van Schurman gewoond. In 1690 vestigde Maria zich in Amsterdam, waar ze in contact kwam met de burgemeester mr. Nicolaas Witsen en andere notabelen, die haar hun toen zo geliefde ‘rariteitenkabinetten’ toonden.

Studiereis naar Suriname

Van 1699 tot 1701 maakte Maria samen met haar jongste dochter een studiereis naar Suriname. Vanuit Parmubo, het huidige Paramaribo, reisde ze langs de Surinamerivier naar de vroegere plantages van de Labadisten. Vanuit deze plantages ondernam ze haar trektochten in het oerwoud, langs de oevers van rivieren en door moerassen en steppen, om zo veel mogelijk onderzoek naar de inheemse insecten te doen. Terug in Amsterdam werkte ze haar tekeningen en notities uit tot de in 1705 voor het eerst verschenen Metamorphosis insectorum Surinamensium. Behalve illustraties van vlinders en rupsen kent dit boek ook afbeeldingen van mieren, spinnen, amfibieën en reptielen.

Hulp van velen

Van de zestig fraaie afbeeldingen in de Metamorphosis graveerde ze er zelf drie, de overige werden vervaardigd door Jozef Mulder, Pieter Sluyter en Daniel Stoopendael. Het inkleuren van de afbeeldingen deed ze zelf, geassisteerd door haar twee dochters. Bij het benoemen van de planten kreeg ze assistentie van de botanicus Caspar Commelin, beheerder van de Amsterdamse Plantentuin. De zoölogische beschrijvingen zijn haar eigen werk, waarbij ze waarschijnlijk haar bevindingen toetste aan de publicaties van haar tijdgenoten, de in insecten gespecialiseerde zoöloog Jan Swammerdam en de uitvinder van de microscoop en eerste ‘microbioloog’ Antoni van Leeuwenhoek. Ten slotte droeg ze ook zelf het niet geringe financiële risico van de in het Nederlands en in het Latijn verschenen uitgave, waarvan de oplage ongeveer zestig exemplaren telde. De in het impressum als uitgever genoemde Gerard Valk trad op als commissionair.

Tegendrukken

In 1719 verscheen bij Johannes van Oosterwyk een tweede druk met 72 platen van zowel de Latijnse als de Nederlandse versie. Vele uitgaven, ook in andere talen, volgden. Er bestaan ook exemplaren en losse platen met de afbeeldingen in spiegelbeeld. Maria vervaardigde deze vermoedelijk door de nog natte afdruk van de oorspronkelijke kopergravure tegen een schoon vel papier te persen, zodat er een ‘tegendruk’ ontstond in spiegelbeeld. Ze missen normaal gesproken de door de koperplaat achtergelaten ‘moet’ in het papier en de lijnen zijn zachter. Bij het maken van een tegendruk was het wel zaak om eventuele teksten en nummering bij het persen af te dekken, omdat die anders in spiegelbeeld tevoorschijn zouden komen. Dat dit niet altijd goed ging, bewijzen de afbeeldingen 42 en 49 in het hier gedigitaliseerde exemplaar. Hierop zien we de vermeldingen van de graveurs inderdaad in spiegelbeeld! Het Utrechtse exemplaar vertegenwoordigt overigens zo'n vrij zeldzame tegendruk, waarvoor destijds meer betaald moest worden. Alleen afbeelding 18, met de mieren en vogelspinnen, betreft een 'normale' koperdiepdruk. Het merkwaardige is echter dat de afbeeldingen 3 tot en met 12, 14 en 37 een 'moet' in het papier hebben. Mogelijk dat er bij het persen van de natte afdruk gebruik is gemaakt van een plaat om extra druk uit te oefenen?

Foutloos?

In haar boeken beeldde Maria telkens de rups en de bijbehorende vlinder af, samen met de plant waar ze op gedijden. Voor wat betreft de determinatie van de Europese vlinders blijkt ze dit geheel foutloos te hebben gedaan. Helaas bevat de Metamorphosis nogal wat vergissingen en is niet altijd de juiste vlinder bij de juiste rups geplaatst. Mogelijk waren de onderzoekmonsters tijdens de terugreis uit Suriname door elkaar geraakt. Daar komt bij dat Maria ziek terugkeerde uit de tropen.

De erfenis van Maria Sybilla Merian

Maria leverde met haar botanische boeken een belangrijke bijdrage aan de entomologie. Mede dankzij haar werk stapte men geleidelijk aan af van het idee van spontane generatie: rupsen bleken in het geheel niet te ontstaan uit dode materie. Met haar nauwkeurige levensbeschrijvingen van de insecten maakte Maria dit onomstotelijk. Behalve in haar wetenschappelijke verdiensten leeft ze echter ook voort in andere zaken. Zo sierde haar beeltenis vroeger het Duitse bankbiljet van 500 Mark. Ook is in het Nederlands een vlinder naar haar vernoemd, de meriansborstel, afkomstig uit een fraaie en sterk behaarde rups. En door plaat XVIII van de Metamorphosis, met daarop enkele spinnen, is Maria wellicht indirect verantwoordelijk voor de naam ‘vogelspin’. De illustratie toont onder meer een grote spin, die een vogeltje heeft gevangen. De bijbehorende tekst spreekt van ‘Colobritges’, verwijzend naar kolibries. De ongelukkige kolibrie op de plaat onderging uiteindelijk een onvrijwillige metamorfose…

Verder lezen

1705
Book
LKB (red. MvE), 2012
Illustratie IX Metamorphosis
Illustratie XVIII Metamorphosis
Detail Illustratie XVIII Metamorphosis
Detail Illustratie VII Metamorphosis
Illustratie XX Metamorphosis
Band Metamorphosis

Maria Sibylla Merian, Metamorphosis insectorum Surinamensium, ofte verandering der Surinaamsche insecten (MAG: AB 352 (Rariora)) Amsterdam : Gerard Valk, 1705. 2º.

  • Band: Oorspronkelijke band van gespikkeld kalfsleer over kartonnen platten, met goudstempeling.
  • Herkomst: Tussen 1870 en 1925 in de collectie opgenomen; herkomst onbekend.