Augustinus tussen hemel en aarde

Naast de bijbel zijn er verschillende werken die van grote invloed zijn geweest op de katholieke theologie. Een van die werken is De civitate Dei (‘Over de stad Gods’), in het begin van de 5de eeuw geschreven door de kerkvader Augustinus. Hij beschrijft hierin de strijd tussen twee steden: de aardse stad en de stad van God. Er zijn vele handgeschreven exemplaren van De civitate Dei uit de middeleeuwen bewaard gebleven. Een van de meest fraaie, geïllumineerde voorbeelden is Hs. 42 in de Universiteitsbibliotheek Utrecht, dat heeft toebehoord aan een Hollandse edelman.

Augustinus

Aurelius Augustinus Hipponensis (354-430) was een van de vier grote Latijnse kerkvaders (naast Hiëronymus, Ambrosius en Gregorius). Als bisschop van de stad Hippo Regius in Noord-Afrika wijdde Augustinus zich vanaf 396 aan de verdediging van het christendom tegenover tijdgenoten. Het christendom was de heersende godsdienst geworden sinds keizer Constantijn de Grote (280-337). Heidense tegenstanders van het christelijk geloof zagen dit als oorzaak van het verval van het Romeinse Rijk. Augustinus schreef De civitate Dei – bestaande uit 22 delen - in gedeelten tussen 413 en 426. Het was een reactie op de val van Rome in 410 door de Visigoten onder koning Alarik. De inname van de 'eeuwige stad' zou volgens Augustinus een straf van God zijn.

De stad van God

De civitate Dei is een historisch-filosofisch geschrift, waarin Augustinus de houding van christenen tegenover de cultuur en de omgang van aardse goederen beschrijft met het koninkrijk van God als einddoel. Augustinus wijst erop dat men dankbaar moet zijn voor de door God gegeven aardse goederen. Hij verklaart de wereldgeschiedenis als een gevecht tussen hen die in de liefde van God leven en hen die op het aardse gericht zijn. In de kern van het werk, waar de titel van het handschrift ook naar verwijst, bevinden zich twee soorten mensengemeenschappen: een aardse stad (civitas terrena) en een hemelse stad (civitas caelestis). De christelijke, aardse stad staat voor eigenliefde en macht. De stad van God is daar waar de goede gelovigen een relatie tot God kunnen krijgen en de spirituele macht sterker zou zijn dan de wereldlijke macht. De beide steden worden gevolgd in hun oorsprong, voortgang en afloop (Dombart & Kalb 1955; Bettenson 1980; O’Daly 1999; Wetzel 2013).

Bijzonder handschrift

De civitate Dei heeft een blijvende invloed gehad op het latere christendom. Het werk van Augustinus werd in de Latijnse wereld veelvuldig gekopieerd, vertaald en becommentarieerd. De Latijnse versies werden gebruikt door clerici en in kloosters. Het Latijnse exemplaar uit de Universiteitsbibliotheek Utrecht is bijzonder omdat deze afkomstig is uit een adellijke privéverzameling. De Nederlandse adel gaf voornamelijk opdracht om handschriften met deze tekst te kopiëren in de Franse vertaling (Wijsman 2010, 264; Bousmanne & Delcourt 2011, 295-309). Hs. 42 is rijk verlucht. In de miniaturen ziet men de ontwikkeling van de christelijke stad op aarde afgebeeld met Augustinus als toeschouwer in de voor- of achtergrond. Hij is duidelijk te herkennen aan zijn blauwe overjas met rode mouwen en blauwe vilten hoge hoed. Alleen in de verluchting op fol. 1r ziet Augustinus er anders uit. De gehistorieerde initiaal laat een predikende Augustinus in zwarte pij zien, het gewaad van een Augustijner broeder die volgens de kloosterregel van Augustinus leeft.

Augustinus’ hart

In de volgende, bladgrote miniatuur op fol. 1v leidt Augustinus in een witte albe met rode koorkap een mannelijk gezelschap van filosofen (zoals Plato) rond in de stad van God. De bisschoppelijke kromstaf houdt hij vast in zijn rechterhand. In zijn linkerhand draag hij een rood ongeschonden hart. Dit verwijst naar een passage uit een ander werk van Augustinus, de Confessiones (Boek IX, 2,3): ‘Gij had ons hart met uw liefde doorschoten en wij droegen uw woorden met ons mee, als pijlen door ons binnenste geboord’. Het afgebeelde hart had dus eigenlijk doorboord moeten zijn met pijlen, zoals dat in veel andere handschriften wel het geval is, bijvoorbeeld in het Getijdenboek van Katherina van Kleef (New York, Pierpont Morgan Library, Ms. M. 945, fol. 245r).

Augustinus wijst het gezelschap op het ideaalbeeld van de hemelse stad van God. Hier mag de gelovige toetreden na een deugdzaam christelijk leven. Het lusthof met een omsloten tuin is een verwijzing naar dat ideaalbeeld. Achter de muren van de tuin is een stad met een kerk, een kapel en bijbehorende gebouwen weergegeven. Enkele gelovigen bidden devoot voor Christus aan het kruis of voor een altaar.

Het wapenschild van Wolfert VI van Borselen

In de onderrand van fol. 1v is het familiewapen afgebeeld van Wolfert VI van Borselen (1433-1487), graaf van Bouchane, graaf van Grandpré en heer van Veere. Op jonge leeftijd, in 1444, trouwde hij met Maria Stuart (1428-1465), dochter van Jacobus I, koning van Schotland. Hierdoor werd hij ook graaf van Bouchane, een titel die behoorde aan de koning(in) van Schotland, en werden de beide familiewapens samengevoegd tot een nieuw wapenschild: in het eerste en derde kwartier kwam het schild van Van Borselen en in het tweede en vierde kwartier het schild van Bouchane. Boven het wapenschild wordt een ranghelm van een markies afgebeeld (vgl. Vennik 1988, 67). Het helmteken is een zwarte Hollandse hoed met wrong in de familiekleuren zwart en wit met daarop vier pauwenveren ter versiering. Zoals ook te zien is bij wapen van zijn vader Hendrik II van Borselen (1404-1474) in Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, Ms. 76 E 10, fol. 81r,  zijn de veren een verwijzing naar de titel ‘heer van Veere’ die zijn familie werd gevoerd (Conrads & Klinkhamer 1985, 28). Dit familiewapen komt nog steeds voor in het stadswapen van Veere. Deze stad viel onder de bescherming van de heren Van Borselen, die woonden in het nabijgelegen Slot Zandenburg (De Lind van Wijngaarden 1989, 49 n. 2). De titel ‘heer van Veere’ is na 1581 via erfopvolging bij de Oranjes terecht gekomen als ‘markizaat van Veere’ (McAndrew 2006, 195).

De bibliotheek van Wolfert VI van Borselen

Wolfert VI was een vooraanstaand edelman die belangstelling had voor luxueuze boeken. Een tiental manuscripten uit zijn bezit is bewaard gebleven. Dat deze handschriften aan hem toebehoorden is te zien aan het familiewapen van Van Borselen, dat meestal geplaatst is in de margedecoratie. Zo’n afgebeeld wapen is normaal gesproken een verwijzing naar de opdrachtgever of eerste eigenaar. De meeste overgebleven handschriften uit zijn bibliotheek, zoals het Getijdenboek van Charlotte de Bourbon (Alnwick Castle, Percy Ms. 492) (Backhouse 2002, 76 afb. III.3), de Ovide moralisé (St. Petersburg, Nationale Bibliotheek van Rusland, Ms. fr.F.v.XIV.1). of de Faits des Romains (Parijs, Bibliothèque nationale de France (BNF), Ms. Français 20312 bis) werden geïllumineerd in de Zuidelijke Nederlanden tussen het eind van de jaren 1450 en begin van de jaren 1480 (Blom 2009, 260-271).

Wolfert VI onderhield goede banden met het Bourgondische hof. Een belangrijke relatie daarvan was die met zijn zwager Lodewijk van Gruuthuse uit Brugge, één van de grootste bibliofielen uit Vlaanderen, en Wolferts voorganger als stadhouder van Holland en Zeeland. Uit Lodewijks bibliotheek is het Gruuthusehandschrift (West-Vlaanderen (Brugge), ca. 1395 - ca. 1408) bewaard gebleven (Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, Hs. 79 K 10). Ook Gruuthuse had een De civitate Dei handschrift in zijn bezit, dat rond 1467 werd vervaardigd (BNF, Ms. Français 174). Dit exemplaar was verlucht in het atelier van de Meester van Margaretha van York. Het betrof de Franse vertaling van Raoul de Presles (1371-1375), raadsheer van de Franse koning Karel V.

Meerdere meesters?

Onderzoekers vermoeden dat de miniaturen en initialen van Hs. 42 ook in de Zuidelijke Nederlanden zijn vervaardigd. Dit zou blijken uit de variatie in techniek, waarbij een aquarel techniek afgewisseld wordt met een dikkere verflaag. Mogelijk was de kunstenaar de al genoemde Meester van Margaretha van York, wiens belangrijkste opdrachtgever Lodewijk van Gruuthuse was. De schilder was actief in Brugge rond 1470-1480. De stijl uit het Utrechtse handschrift komt overeen met de aan hem toegeschreven werken, zoals Gruuthuse’s De civitate Dei (BNF, Ms. Français 174) en de Jardin de vertueuse consolation (BNF, Ms. Français 1026) (Bousmanne & Delcourt 2011, 295-309).

Daarnaast hebben er wellicht nog twee of drie verluchters aan de verluchting gewerkt, omdat de gehistorieerde initialen in het handschrift van een andere hand lijken te zijn dan die van fol. 1r en 1v. Bodo Brinkmann meent dat fol. 1r en 1v vervaardigd zijn door dezelfde verluchter is als die van Berlijn, Staatsbibliothek, SPK, Ms. Depot Breslau 2, en van Brugge, Groot Seminarie, Ms. 154/44 (Brinkmann 1997, 71-73). De beeldopbouw van een rijk palet met verglijdingen in kleur en licht komen sterk overeen. Kenmerkend voor de Meester van Margaretha van York zijn de goed gemodelleerde personages (met typische hoge hoofddeksels) en de aandacht voor de horizon met atmosferisch perspectief in de gehistorieerde initialen in de rest van het handschrift (Kren & McKendrick, 2003, 218 n. 14; Bousmanne & Delcourt 2011, 308-309).

Tussen hemel en aarde

Hier worden enkele initialen besproken die bijzonder zijn in relatie tot de inhoud van de tekst. Het werk van Augustinus bevat diverse thema’s, zoals het kwaad, geluk, de maatschappij, de staat en historische gebeurtenissen, die terugkomen in de 21 gehistorieerde initialen.

Boek 2 (gehistorieerde initiaal 'S' fol. 16r).

Drie beeldhouwers beitelen onder toeziend oog van Augustinus en zijn gezelschap een inscriptie op een sarcofaag. Op de muur is een zittende pauw afgebeeld, die zou verwijzen naar de onsterfelijkheid (pauwevlees bederft niet) en de opstanding (ieder jaar krijgt de pauw weer nieuwe staartveren). Dit duidt op de tijdelijkheid van het aardse bestaan (Bielermann 2008, 287). De initiaal heeft een relatie tot de inhoud van de tekst. Deze wijst op het naleven van de geboden van de goden, zodat de mensen een deugdzaam leven kunnen leiden. De goden zijn eigenlijk meer bedrieglijke demonen, die men moet verlaten om de geboden van de ware God na te leven. Is hieraan voldaan, dan kan men tot het eeuwige rijk toetreden.

Boek 13 (gehistorieerde initiaal 'E' fol. 165v).

Augustinus ziet Adam en Eva in ‘Adamskostuum’ in een tuin waar een slang met een vrouwenlichaam (de paradijsslang) kronkelt rond de stam van een vruchtdragende boom. Uit een gat in de grond kruipt een skelet omhoog met een pijl als staf in de linkerhand en een rol in de andere hand. Hier wordt de zondeval uitgebeeld en de Dood, wiens pijl als symbool van de dood ons allen zal treffen. Eva heeft waarschijnlijk al een hap van de verboden vrucht genomen; zij bedekt zich beschaamd, terwijl Adam nog op het punt staat er van te proeven. De tekst van Augustinus spreekt over verleiding en de zondeval van Adam (en Eva).

Boek 15 (gehistorieerde initiaal 'D' fol. 190v).

Hier worden door de miniaturist twee moorden naast elkaar gezet. Augustinus wijst met zijn rechterhand op de voorgrond naar Kaïn, die het hoofd van de op de grond liggende broer Abel vasthoudt. Kaïn staat op het punt hem dood te slaan met een kakebeen. Op de achtergrond bovenop de heuvel zal een man met een opgeheven zwaard de op de grond liggende man doodslaan. Dit tafereel verwijst naar de broedermoord van Remus op Romulus. Augustinus trekt hiermee een parallel tussen de Romeinse traditie en het bijbelverhaal (Genesis 4:1-16), de twee broedermoorden en de stichting van de stad van de aardse gemeenschap.

Boek 22 (gehistorieerde initaal 'S' fol. 325r).

Augustinus wijst hier naar de ommuurde aardse stad. Twee engelen nemen zielen - vervoerd in een witte doek - mee op naar het hemelse Jeruzalem. Het zijn de uitverkoren zielen, die het eeuwige leven van God hebben gekregen en nu hun hemelse gelukzaligheid tegemoet gaan. Een wolkenrand is weergegeven als scheiding tussen hemel en aarde. Maria en God de Vader kijken toe in het gezelschap van heiligen met nimbussen en een soort duiveltjes, de zogenaamde ‘gevallen engelen’. In dit laatste boek 22 spreekt Augustinus over de uitverkorenen: de inwoners van de stad van God (De Lind van Wijngaarden 1989, 85).

De aardse stad Brugge

Er zijn aanwijzingen dat Hs. 42 in Brugge vervaardigd kan zijn. Zo zijn er zeven tot negen handschriften bekend waarvan het zeer aannemelijk is dat deze gemaakt zijn in opdracht van Wolfert VI van Borselen. Twee daarvan zouden uit het atelier van de Meester van Margaretha van York komen. Stilistische overeenkomsten ten aanzien van gebouwen, landschappen en luchtpartijen tonen dit ook aan (Wijsman 2010, 263). Het is goed mogelijk dat Wolfert VI opdracht heeft gegeven om zijn De civitate Dei te laten vervaardigen in Brugge, omdat hij daar geregeld kwam vanwege zijn belangrijke connecties (Lodewijk van Gruuthuse, Filips I van Bourgondië en Maria van Bourgondië). Deze edelen lieten ook handschriften maken in Brugge.

Daarbij toont een aantal minitauren in De civitate Dei middeleeuwse gebouwen die overeen lijken te komen met nog bestaande restanten in de huidige stad Brugge, wat ook al te zien is in de Jardin de vertueuse consolation (BNF, Ms. Français 1026), eveneens toegeschreven aan de Meester van Margaretha van York. Zo kunnen we aan de hand van Antonius Sanderus’ Flandria illustrata (1641) de Onze-Lieve-Vrouwekerk (afb. 114) en het Belfort (afb. 114) op fol. 1v, en tevens de Gentpoort (afb. 111) op fol. 98v van Hs. 42 herkennen. Volgens Marco van Egmond, conservator kaarten van de Universiteitsbibliotheek Utrecht (pers. comm. 21 maart 2014) is van het Belfort bekend dat deze in 1482-1483 een achthoekige Gotische spits kreeg. Als de Belfort inderdaad in Hs. 42 is afgebeeld, dan zou dat duiden op een datering van vóór 1482 van het handschrift.

Datering

Het Utrechtse handschrift van De civitate Dei wordt doorgaans gedateerd tussen 1465 en 1470. Deze datering is gebaseerd op de overeenkomst van het wapenschild van Wolfert VI van Borsele met die van zijn Valerius Maximus handschrift (Parijs, Bibliothèque de l’Arsenal, Ms. 5196) (Avril & Reynaud 1993, 256 nr 47). Vanwege de heraldiek van de samengevoegde familiewapens en de datum van overlijden van Maria Stuart (de eerste echtgenote van Wolfert VI) in 1465, zou het handschrift rond 1465 vervaardigd moeten zijn. Latere dateringen van het handschrift liggen niet voor de hand om drie redenen. Ten eerste hertrouwde Van Borselen in 1468 met Charlotte van Bourbon. Van een gezamenlijk wapenschild, zoals met zijn eerste echtgenote, is nu geen sprake. Ook zal Wolfert VI vanaf 1474 na het overlijden van zijn vader, Hendrik II, het oorspronkelijke familiewapen weer gaan voeren op zijn wapenschild. En de derde reden is het ontbreken in de margedecoratie van aangebrachte ordeketens rond het wapenschild van de ridderorde van het Gulden Vlies. Wolfert VI trad namelijk in 1478 toe als vliesridder (Wijsman 2010, 263 n. 27).

Verder lezen

  • Avril F. & N. Reynaud, Les manuscrits à peintures en France 1440-1520 (Parijs, 1993).
  • Backhouse, J., ‘The Hours of Charlotte de Bourbon at Alnwick Castle’, in: B. Cardon et al. (ed.), ‘Als ich can: Liber Amicorum in memory of Professor Dr. Maurits Smeyers’, 2 vols (Leuven, 2002), I, p. 71-90.
  • Bettenson, H. (vert.), Concerning the city of God against the pagans, herdruk, Pelican Classics (Harmondsworth, 1980).
  • Bielermann, H., Symbolen A tot Z (Utrecht, 2008).
  • Blom, P., Borsele Bourgondië Oranje: heren en markiezen van Veere en Vlissingen 1400-1700 (Hilversum, 2009).
  • Bousmanne, B. & T. Delcourt, Vlaamse miniaturen 1404-1482 (Brussel & Parijs, 2011).
  • Brinkmann, B., Die flämische Buchmalerei am Ende des Burgunderreichs (Turnhout, 1997).
  • Conrads, M. & G. Klinkhamer, Elseviers kostuumgids. Westerse kledingstijlen van de vroege middeleeuwen tot heden (Amsterdam & Brussels, 1985).
  • Dombart, B. & A. Kalb (ed.), Sancti Aurelii Augustini De civitate Dei, Corpus Christianorum Series Latina 47-48, 2 vols (Turnhout, 1955).
  • Horst, K. van der, et al., Handschriften en oude drukken van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek (Utrecht, 1984), p. 240-242.
  • Kren, T. & S. McKendrick, Illuminating the Renaissance: the triumph of Flemish manuscript painting in Europe (Los Angeles, 2003).
  • Lind van Wijngaarden, P. de, ‘Een vijftiende eeuws ‘De civitate Dei’ (Hs. 42) handschrift uit de Universiteitsbibliotheek te Utrecht’, Ongepubliceerde doctoraalscriptieUnpublished BA-thesis, Utrecht University 1989.
  • McAndrew, B. A., Scotland’s historic heraldry (Woodbridge, 2006).
  • O’Daly, G. J. P., Augustine’s City of God: a reader’s guide (Oxford, 1999).
  • Vennik, R., Familiewapens, oorsprong en betekenis (Rotterdam, 1988).
  • Wetzel, J. (ed.), Augustine’s City of God: a critical guide (Cambridge, 2013).
  • Wijsman, H.W., Luxury bound. Illustrated manuscript production and noble and princely book ownership in the Burgundian Netherlands (1400-1550) (Turnhout, 2010).
Mirelle Peeters-Nunes, sept 2014
Hs 42 73v - Augustinus en vijf heidense beelden
Hs 42 1r - Augustinus preekt
Hs 42 1v - Augustinus en de filosofen
Hs 42 1v - wapenschild van Wolfert VI van Borselen
Hs 42 xiii r - inhoudsopgave
Hs 42 16r - Augustinus en de sarcofaag
Hs 42 165v - Augustinus en Adam, Eva en de slang
Hs 42 190v - Augustinus en Kain en Abel
Hs 42 325r - Augustinus en Jerusalem

Augustinus, De civitate Dei (Hs. 42)

  • Vlaanderen (Brugge?/Gent?), ca. 1465-1470.
  • Perkament, 346 bladen, ca. 440 x 330 mm.
  • Gotische hybrida.
  • Latijn.
  • 1 halve-paginagrote miniatuur, 1 kolomminiatuur, 20 gehistorieerde initialen, 1 medaillon, geschilderde randversiering.
  • Negentiende-eeuwse band van zwart leer over kartonnen platten, met blindstempeling.
  • Vervaardigd voor, of vroeg in het bezit geweest van Wolfert VI van Borselen (1433-1487). In de achttiende eeuw in bezit geweest van Mr Thaddeus Jacob van Boekhoven (1713-1764), gecommitteerde wegens Utrecht ter admiraliteit van Zeeland. Van Boekhoven (of ook wel Bochhoven) huwde op 25 oktober 1751 met Margareta Isabella van Harscamp. Wellicht kreeg hij het handschrift in handen door zijn werkzaamheden en connecties in Zeeland. Het handschrift lag vermoedelijk na het overlijden van de dochter van Wolfert VI, Anna van Borselen, Vrouwe van Veere (1471-1518) in het stadhuis van Veere opgeslagen. Kort na 1754 werd het handschrift voor de Universiteitsbibliotheek van Utrecht verworven als geschenk van Thaddeus van Boekhoven (zie schutblad).