Sleutel tot de Oost: de 'Itinerario' van Jan Huygen van Linschoten

Gedurende het overgrote deel van de 17de eeuw bezorgde de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) de Lage Landen rijkdom en prestige. Daarmee luidde de VOC de periode die bekend staat als de Gouden Eeuw in. Het zakenleven bloeide, de winsten stegen tot ongekende hoogtes en de sterk gegroeide middenklasse pronkte met haar nieuw verworven vermogen. Het was een tijdperk van meesterwerken in de kunst en doorbraken in de wetenschap. Wat maakte het voor de VOC, opgericht in 1602, mogelijk om in razende vaart een fortuin te vergaren? Het antwoord ligt bij het boek dat ook wel ‘de sleutel tot de Oost’ wordt genoemd: de Itinerario van Jan Huygen van Linschoten.

Vroege jaren

Van Linschoten werd in 1562 geboren in een redelijk gegoede familie in Haarlem. Hij groeide op in Enkhuizen, waar de visserij welig tierde. Het is onbekend waar de toevoeging ‘van Linschoten’ vandaan komt; geen van zijn familieleden gebruikt deze benaming en het is onwaarschijnlijk dat zijn familie afkomstig is uit het Utrechtse dorp met dezelfde naam. Zijn vader, Huig, was herbergier, waardoor Van Linschoten als kind ongetwijfeld veel reizigers en zeevaarders heeft ontmoet die graag hun avontuur met hem wilden delen. Waarschijnlijk zat zijn hoofd op jonge leeftijd al bomvol droombeelden van het onbekende en het exotische. In de eerste alinea’s van de Itinerario meldt hij dat hij als kind al was ‘gheneycht … tot lesen vreemde dingen van Landen ende gheschiedenissen’, waarin hij een ‘besunder welbehaghen ende vermaeckelickheyt hadde’ (Itinerario, p. 2).

Van Linschoten bezocht waarschijnlijk de Latijnse school in Enkhuizen, waar hij heeft leren lezen en reizen, en ook wiskunde en Latijn heeft gestudeerd. Op zestienjarige leeftijd stapte hij in de voetsporen van zijn oudere stiefbroers door naar Sevilla in Spanje te reizen, om werk te vinden en ervaring op te doen, zoals destijds gebruikelijk was voor jonge mannen in zijn sociale milieu. Hij kwam uiteindelijk terecht in Lissabon in het spoor van de Spaanse Koning Filips II, die Portugal had geannexeerd. Eenmaal daar kwam hij in dienst van João Vicente da Fonseca, aartsbisschop van Goa, een stad en regio in India. Snel daarop liet hij met zijn nieuwe werkgever de Europese kusten achter zich, in navolging van de avonturen waar hij zo vaak over had gedroomd.

Wedloop om de Oost

Het feit dat Van Linschoten überhaupt in Goa kon wonen en werken kwam door het Portugese monopolie op de handel met de Oost. Lang voordat de Engelsen, Nederlanders of Fransen hun koloniale rijken konden vestigen, hadden de Portugezen al een overheersende positie in de handel met de Oost ingenomen, met de Spanjaarden als enige concurrenten – en met het samengaan van de twee landen was ook dat obstakel uit de weg geruimd. Ze vestigden de Estado da India Portuguesa, of ‘Portugese Staat van India’, met Goa als hoofdstad.

Natuurlijk stonden de andere Europese landen te springen om ook van de handel te profiteren. Dit was makkelijker gezegd dan gedaan: omdat het ze aan zulke geavanceerde navigatiemethodes zoals het internet of GPS ontbrak, werden zeevaarders gedwongen gebruik te maken van kaarten, het astrolabium en – bij nieuwe routes vooral – van zogeheten ‘roteiros’. Dit waren tijdens eerdere reizen verzamelde teksten met gedetailleerde informatie over veilige zeeroutes. Hierin werden herkenningspunten, zoals bepaalde eilanden, genoemd en andere aanwijzingen dat een schip nog op koers voer. De Portugezen wisten hoe men veilig naar de Oost kon afreizen, en deze kennis werd als staatsgeheim achter slot en grendel bewaard. Het mag vanzelfsprekend heten dat hun Europese rivalen deze gegevens maar al te graag te pakken wilden krijgen, wat ze vele jaren niet is gelukt. Totdat Jan Huygen van Linschoten na een reis van vijf maanden op Goa aankwam.

Wonen in Goa

De stad, ook bekend als ‘Golden Goa’, werd gezien als een heuse parel van de Oost. De stad werd in de 15de eeuw door de Adil Shahi dynastie van het nabijgelegen Bijapur gesticht om als nieuwe hoofdstad te dienen. De Portugezen veroverden Goa in 1510, waarna het in een rap tempo groeide in omvang en status. Door overheidsbeleid vestigden veel immigranten uit Portugal zich in de stad om met inheemse vrouwen te trouwen. Behalve administratief centrum en handelspost was de stad ook de een basis voor de Portugese pogingen tot bekering van de inwoners in de regio.

Van Linschoten bleef vijf jaren op het eiland wonen. In die tijd was hij werkzaam als assistent van de aartsbisschop, hoewel het onduidelijk is in welke hoedanigheid. Er is weinig bekend over zijn dagelijkse bezigheden, maar hij beheerste het Portugees waarschijnlijk onvoldoende om veel schrijfwerk te moeten verrichten. In zijn vrienden- en kennissenkring bevonden zich Portugese inwoners van Goa, andere buitenlandse werknemers, handelaren en zeemannen – waaronder andere Nederlanders. De reizigers kwamen niet alleen vanuit de directe omgeving, maar ook van verder weg, zoals uit Japan. Een voorbeeld hiervan is Dirck Gerritsz. Pomp (1544-1608), die in Enkhuizen was geboren en bekend stond als ‘Dirck China’ vanwege zijn kennis over dat land en Japan. Ook hij zal veel bijzondere feitjes over verre oorden hebben gedeeld met Van Linschoten.

Van Linschoten was ook bijzonder geïnteresseerd in Goa zelf, en bestudeerde zijn inwoners, hun gebruiken, cultuur en religie, en de plaatselijke flora en fauna. Hoewel hij weinig direct met de inheemse bevolking zal hebben gesproken, kon hij tijdens zijn langdurig verblijf veel leren door simpelweg te observeren. Daarnaast heeft hij ook veel meegekregen van de scheepvaart en de handel door de haven te bezoeken, waardoor hij inzicht kreeg in de structuur van het Portugese rijk in de Oost. Alle informatie – en verhalen, roddels en nieuws – die hij in Goa indertijd heeft verkregen vormde de basis voor het schrijven van zijn meesterwerk.

Van Linschotens observaties

Hoewel Van Linschoten in zijn werk over het algemeen objectief blijft, uit hij soms op interessante wijze zijn mening. Deze opmerkingen zou men vandaag de dag niet allemaal als heel politiek correct beschouwen: zo noemt hij de inwoners van Malakka één van de meest beleefde en vriendelijke volkeren in Indië, maar beschrijft hij die van Java als ‘hartneckich ende opstinaet’ (Itinerario, p. 24-25). Welke misnoegde zeeman of handelaar zou Van Linschoten dit ongetwijfeld bevooroordeelde denkbeeld hebben meegegeven? In zijn beschrijving van Japan meldt hij dat de Japanners de Chinezen ‘haten tot inder dood’, met als gevolg dat ze ‘in al haer dinghen van leven ende manieren contrarie vande Chinen zijn’ (Itinerario, p. 35). Hoewel de twee landen niet altijd samen door één deur pasten is het nog maar de vraag of de stand van zaken echt zo beroerd was.

Terug naar huis

Van Linschoten genoot enorm van het leven in Goa. Hij wees zelfs de kans om met een expeditie naar China mee te gaan af. Zijn drang naar avontuur was echt, maar hij was niet roekeloos: hij vond de onderneming te risicovol en was niet bereid om geld te verliezen. Alles wees er op dat hij nog vele jaren in Goa zou blijven. Omstreeks het einde van 1588 sloeg het noodlot echter toe en zou het niet lang meer duren voor hij aan zijn terugreis begon. De reden? Het overlijden van zowel zijn stiefbroer, Willem Tin, als zijn mentor, de aartsbisschop, die al eerder naar Portugal was teruggekeerd. Van Linschoten zou Goa nooit meer zien. Een schipbreuk bij de Azoren vertraagde zijn thuiskomst. Hij besloot op het eiland Terceira te blijven om de berging van verloren goederen te overzien. Dit gaf hem ook de mogelijkheid om een beschrijving van het eiland te maken. Uiteindelijk kwam hij in september 1592 in Enkhuizen aan, waar hij werk vond als thesaurier en zich verloofde met Reynu Meynertsdr Seymens, die op het moment van hun trouwen al drie maanden zwanger was.

Reis naar het noorden

Van Linschoten bleef na zijn terugkomst niet lang thuis zitten. Hij maakte in 1594 deel uit van Willem Barentsz.’ poging om een alternatieve route naar Azië te vinden via een noordelijke passage. Net zoals Barentsz. geloofde Van Linschoten dat een dergelijke route de meest haalbare optie voor het reizen naar Azië bood, omdat alle Portugese tegenstand dan werd vermeden. Kennis over de noordelijke regio’s was beperkt en velen geloofden dat de noordoostpassage veel korter was dan de zuidelijke route. Van Linschoten reisde als adviseur en opzichter mee bij twee expedities, maar bleef thuis tijdens de derde, gedoemde tocht van 1596, waarbij Barentsz. zelf kwam te overlijden. Hij publiceerde een boek over zijn ervaringen tijdens deze noordelijke expedities met de titel Voyagie, ofte schip-vaert van by Noorden om langes (Franeker, 1601). Eerst wijdde hij zich echter compleet aan het afronden van de Itinerario voor publicatie.

Drie boeken, één boekband

Het boekwerk dat bekend staat als de Itinerario bestaat eigenlijk uit drie boeken, elk met een eigen titel, titelpagina en paginanummering. Het eerste gedeelte is de Itinerario zelf, een verslag van de reis die Van Linschoten maakte van Lissabon naar Goa, en weer terug. Het bevat materiaal over verschillende landen in de regio, maar vooral uitgebreide informatie over Goa, de directe omgeving, de staat van zaken in Portugees India en waardevolle kennis over streken die voor de meeste Europeanen nog zo goed als onbekend waren. Naast het feit dat dit deel erg aantrekkelijk moet zijn geweest voor de geïnteresseerde leek, bleek het ook nuttig voor handelaren. Zij konden leren waar ze welke specerijen konden vinden en tegen welke prijs. Nog meer dan dat toonde het ook de zwaktes in de Portugese heerschappij in de Oost. Het verraadde in het bijzonder dat de Portugezen amper controle hadden over hun Indonesische territoria. Het was dan ook daar dat de Nederlanders hun sterkste basis in de regio konden stichten, en de Portugezen bijna geheel konden verjagen.

Uitgever, drukker, boekverkoper en agent

Van Linschotens werk aan de Itinerario trok de aandacht van de Amsterdamse uitgever, drukker en boekverkoper Cornelis Claesz., die zag dat het project grote potentie had. Claesz. had al veel ervaring in het uitgeven van boeken over de zeevaart, geografie en reizen. Zijn betrokkenheid bij het project had een grote invloed op de verdere ontwikkeling van het boek. Zo vroeg hij Van Linschoten om ook informatie te verschaffen over de westkust van Afrika en over Amerika, om een breder publiek aan te spreken. Het probleem was dat Van Linschoten zelf weinig tot geen kennis over deze onderwerpen bezat. De oplossing kwam in de vorm van Berent ten Broecke, beter bekend als Bernardus Paludanus, ook inwoner van Enkhuizen, een goede vriend van Van Linschoten en een befaamde wetenschapper en arts. Paludanus, wiens rariteitenkabinet hoog bezoek trok uit heel Europa, schreef de gedeeltes over Afrika en Amerika die Van Linschoten niet zelf kon leveren. Deze onderwerpen werden samengevoegd in het derde boek van de Itinerario, de Beschryvinghe. Paludanus voegde ook veel annotaties toe aan de hoofdtekst. Deze zijn duidelijk apart gehouden van de hoofdtekst in de eerste editie van het boek, door een ander lettertype te gebruiken: de hoofdtekst is gedrukt in een gotisch lettertype, de annotaties in een romeins.

Het schrijven van De Itinerario: werk van velen

Claesz. verzocht Van Linschoten ook om een gedeelte te schrijven met zeilinstructies, dat voor de professional nuttig zou zijn in plaats van voor een algemeen publiek. Dit Reys-gheschrift bevatte de kennis die zo cruciaal zou blijken bij het oprichten van de VOC, en daarmee bij de geboorte van de Nederlandse overheersing in Oost-Aziatische handel en kolonisatie. Deze instructies toonden niet alleen de beste routes voor de reis van Portugal naar de Indonesische koloniën, maar ook tussen India, de gehele Indonesische eilandgroep, China en Japan. Ze bevatten kortom de informatie die de Portugezen zo lang met succes hadden kunnen verbergen voor de nieuwsgierige buitenwereld.

Van Linschoten schreef dit gedeelte technisch gezien niet eigenhandig: hij maakte gebruik van een verscheidenheid aan bronnen, de meeste Spaans of Portugees. Sommige hiervan waren boeken of geschriften die hij in Goa had weten te bemachtigen via zijn contacten in het personeel van de aartsbisschop. De rest betrof waarschijnlijk verhalen en informatie die hij van nietsvermoedende zeemannen in Goa had weten te ontfutselen, of die misschien vrijwillig waren gedeeld. Claesz. kreeg de opdracht om het Reys-gheschrift vóór de rest van het werk te drukken, zodat Cornelis de Houtman het mee kon nemen op de eerste Nederlandse expeditie naar Indonesië, die van 1595 tot 1597 plaatsvond. Het gevolg is dat op de titelpagina van het Reys-gheschrift het jaar 1595 prijkt, terwijl de Itinerario en de Beschryvinghe uit 1596 komen.

De kaarten van de Itinerario

Claesz., met zijn sterke gevoel voor marketing, vond het ook verstandig om een keur aan kwaliteitskaarten aan de Itinerario toe te voegen. Deze zijn gemaakt door enkele van de meest befaamde kaartenmakers uit de 16de eeuw. Het boek bevat een wereldkaart, de Orbis Terrarum Typus de Integro Multis in Locis Emendatus, van de hand van de gerenommeerde Petrus Plancius, die Claesz. al eerder apart had uitgebracht in 1594. Ook werden er vijf detailkaarten toegevoegd, geproduceerd door Arnoldus en Henricus, twee broers van de illustere familie van cartografen, de Van Langrens. Deze kaarten waren gebaseerd op eerder werk van Plancius en waren ook al eerder door Claesz uitgegeven (Schilder 2003, p. 205). Hoewel alle op de kaarten afgebeelde locaties in een of andere hoedanigheid zijn terug te vinden in de Itinerario, passen deze niet altijd direct bij de tekst. Latere herdrukken van het boek werden voorzien van andere kaarten, of andere versies van dezelfde kaarten.

Samenwerking in Enkhuizen

Naast Claesz. en Paludanus werden ook andere noemenswaardige individuen betrokken bij de productie van de Itinerario, de een nauwer dan de andere. Claesz. had Johannes en Baptista van Doetecum – vader en zoon – ingehuurd om gravures voor het boek te vervaardigen. Deze waren gebaseerd op tekeningen die Van Linschoten zelf had gemaakt tijdens zijn verblijf in Goa en op Terceira. Sommige beelden mensen af uit alle windstreken en van alle rangen en standen, andere tonen scenes uit het dagelijks leven in Goa, terwijl nog weer andere de inheemse flora en fauna afbeelden. Zo is er een gravure waarop een doerian wordt getoond, waarover Van Linschoten zegt dat ze ‘boven alle andere van smaeck ende lieffelickheyt gepreesen’ worden (Itinerario, p. 86-87). Over hun geur wordt verder niet uitgeweid.

De familie Van Doetecum had ook enkele gravures gemaakt voor Lucas Jansz. Waghenaer (ca. 1533-1606), een stuurman, cartograaf en ook een bekende Enkhuizenaar. Waghenaer had in 1584 de Spieghel der Zeevaerdt uitgebracht, ’s werelds eerste nautische atlas, en had daarmee behoorlijk naam gemaakt. Het is bekend dat hij en Van Linschoten hebben samengewerkt, want Waghenaer heeft materiaal van Van Linschoten gebruikt in zijn Thresoor der Zeevaert. Waghenaer werd ondersteund door François Maelson (1538-1602), een plaatselijke arts en af en toe adviseur van de Stadhouder van de Nederlanden, Prins Maurits. Het is waarschijnlijk dat Maelson ook Van Linschoten heeft ondersteund in zijn ondernemingen, aangezien de Itinerario is opgedragen aan de Prins.

Publicatie en internationale uitgaves

De eerste editie van de Itinerario kwam in 1596 uit. Het was destijds nog gebruikelijk voor boekwinkels om boeken alleen als ongebonden stapels papier te verkopen. Deze konden dan naar een boekbinder worden gebracht om ze van een band te laten voorzien. Claesz. bood echter ook compleet ingebonden edities van de Itinerario aan in zijn Amsterdamse winkel, waarschijnlijk tegen een hogere prijs en voor een kapitaalkrachtig publiek.

Het boek werd meteen een bestseller, met vele herdrukken als gevolg. De Universiteitsbibliotheek Utrecht bezit ook een exemplaar van de uitgave uit 1623, met als titel Itinerarium – deze bevat ook het verslag van zijn reis naar het noorden. John Wolfe uit Londen bracht in 1598 een Engelstalige editie uit, vertaald door William Philip. Deze versie is in vier boeken verdeeld en gebruikt enkele andere kaarten dan het origineel. Franse, Latijnse en Duitse vertalingen volgden niet lang daarna, waardoor ook andere landen konden profiteren van de in het boek gepresenteerde geheimen.

Het exemplaar in Utrecht

De Itinerario van de Universiteitsbibliotheek Utrecht is een eerste editie waarvan het originele perkamenten bindwerk is behouden, met op de voor- en achterplatten goud gestempelde figuren. Alle illustraties, waaronder de kaarten, zijn op prachtige wijze ingekleurd, waarschijnlijk door een meesterafzetter. Net zoals het bindwerk werd dit normaliter niet bij de verkoper gedaan, maar bij een onafhankelijke ambachtsman. Dit heeft als gevolg dat elk ingekleurd exemplaar van de Itinerario op unieke wijze is afgezet. Helaas zijn enkele kaarten en afbeeldingen in de loop der tijd uit het boekwerk verdwenen, meestal als gevolg van diefstal. Deze ontbrekende gravures kunnen, helaas niet ingekleurd, online worden ingezien in de Itinerario van de Bayerische Staatsbibliothek. Het Utrechtse exemplaar werd in 1838 aan de universiteitsbibliotheek geschonken door Gerrit Moll, voormalig hoogleraar wiskunde, natuurkunde en sterrenkunde, en ook directeur van de Utrechtse sterrenwacht. De Universiteitsbibliotheek Utrecht bezit ook een exemplaar van de editie van 1623.

Van roem tot vergetelheid

Ondanks dat Van Linschoten op duizelingwekkende wijze bekendheid verwierf tijdens zijn leven is het opmerkelijk hoe snel het belang van de Itinerario afnam. Achteraf gezien is het niet bijzonder verwonderlijk: hoe meer expedities er naar de Oost kwamen, hoe meer de kennis over het gebied toenam. Van Linschotens informatie werd al gauw gedateerd, of bleek in sommige gevallen zelfs geheel incorrect. Latere reisverslagen begonnen dat van hem te vervangen als meest essentiële. De herdruk van de Itinerario uit 1644 door Everhardt Cloppenburgh is de laatst bekende Nederlandse editie om onder de originele (of een soortgelijke) titel te worden uitgebracht. In 1665 publiceerde Gillis Joosten Saeghman uit Amsterdam het Journal van de derthien-jarighe reyse […] gedaen door Jan Huygen van Linschoten. Deze bevatte grotendeels dezelfde informatie als de Itinerario, maar dan vaak opnieuw geordend of met andere bewoordingen. Ook maakte het gebruik van goedkope herinterpretaties van de originele gravures, en een paar nieuwe. Deze editie is in feite de laatste incarnatie van het boek totdat het honderden jaren later opnieuw tot leven werd gewekt. Omdat het vinden van een noordoostpassage uiteindelijk werd gezien als onmogelijke opgave nam het belang van Van Linschotens andere werk nog sneller af, en daarmee de bekendheid van zijn naam. Hij wordt amper genoemd in de jaren die volgden, en zelfs als dat gebeurt lijkt het alsof men niet goed bekend was met zijn werk.

Van Linschotens reizen ten einde

Hoe veel baat had Van Linschoten van het succes van zijn boek? Het gebruik en de populariteit van de Itinerario zouden tijdens de 17de eeuw steeds minder worden, maar dit was nog niet het geval tijdens zijn leven. Het valt niet te ontkennen dat hij man van enig aanzien werd, wat blijkt uit zijn huwelijk met een regentendochter, en zijn omgang met de plaatselijke elite. Desondanks kreeg hij in de laatste jaren van zijn leven nog te maken met een teleurstelling: zijn aanvraag van een staatspensioen werd afgewezen, omdat men vond dat de opbrengsten van het boek voldoende waren om zichzelf te onderhouden. Of dat ook het geval was, zullen we nooit te weten komen, want hij stierf niet lang daarna in 1611. Hij werd slechts 48 jaar. Zijn nalatenschap is echter vele generaties blijven bestaan.

Verder lezen

1596
Boek
Nick Becker (i.s.m. Marco van Egmond), april 2015
Boekband 'Itinerario', 1596
Titelpagina 'Itinerario', 1596
Portret Jan Huygen van Linschoten, 'Itinerario', 1596
Prent pagina 24-25, 'Itinerario', 1596
Detail cartouche plattegrond van Goa, 'Itinerario', 1596
Prent pagina 32-33, 'Itinerario', 1596
Detail prent pagina 58-59, 'Itinerario', 1596
Titelpagina 'Reys-gheschrift', 1595
Detail plattegrond van Terceira, 'Itinerario', 1596
Titelpagina 'Beschryvinghe', 1596
Detail kaart van het eiland Moçambique, 'Itinerario', 1596
Kustprofielen Sint-Helena, 'Itinerario' (p. 140-141), 1596

Jan Huyghen van Linschoten, Itinerario. Voyage ofte schipvaert [...] naer Oost ofte Portugaels Indien [...]. Amsterdam: Cornelis Claesz, 1596 (Utrecht UB, MAG: T fol 133 (Rariora)).

  • Band: Oorspronkelijke band van perkament over kartonnen platten; op voor- en achterplat een plaatstempel in goudstempeling, voorstellende een lopende vrouw tussen twee torens (?).
  • Herkomst: Door Gerrit Moll, hoogleraar wis-, natuur- en sterrenkunde, directeur van de Sterrenwacht in Utrecht, in 1838 aan de Universiteitsbibliotheek geschonken.