Wereldsteden van de 16de eeuw: Braun & Hogenbergs Civitates orbis terrarum

In de 16de eeuw werd veel gereisd. Met uitzondering van de hoeveelheid pelgrims was het aantal reizigers groter dan ooit. Handelaren, studenten, ‘toeristen’ en andere avonturiers begaven zich in steeds grotere getale van de ene naar de andere plaats. Het meest aangedaan werden de steden, destijds de centra van de handel en het maatschappelijk leven. De interesse in steden was minstens zo groot als de interesse in landen en regio's. Het is dan ook geen verrassing dat er – twee jaar na het verschijnen van de eerste moderne wereldatlas in 1570, het Theatrum orbis terrarum van Abraham Ortelius – een boekwerk op de markt kwam dat alle steden in de wereld poogde te beschrijven en af te beelden: de Civitates orbis terarrum.

Vlaamse stijl

Dit stedenboek, dat uiteindelijk zes delen zou gaan tellen, is algemeen bekend als de Civitates orbis terrarum van Georg Braun en Frans Hogenberg. Deze titel verwijst echter alleen naar het eerste deel, dat in 1572 werd uitgegeven door Filips Galle in Antwerpen en ‘apud Auctores’ (bij de auteurs) in Keulen. Ofschoon de Civitates orbis terrarum ook gedrukt werd in Keulen, is het werk op grond van de Vlaamse stijl van graveren een typisch cartografisch product van de Zuidelijke Nederlanden. Zo was initiator Frans Hogenberg (1535-1590) niet alleen één van de graveurs van de Civitates, maar ook van Ortelius’ Theatrum. Een andere graveur, Simon van den Neuvel (Novellanus), ontving zijn opleiding in Mechelen, tot het moment dat hij uitweek naar Keulen.

Vroegere stedenatlassen

Vóór de uitgave van de Civitates kwam al af en toe een boek met stadsplattegronden op de markt. In deze gedrukte werken was de tekst vrijwel altijd belangrijker dan de kaarten. Voorbeelden hiervan zijn Jacopo Filippo da Bergamo Foresti’s Supplementum chronicarum (1483, met vanaf 1486 illustraties) en Hartmann Schedels Liber chronicarum (1493). De eerste echte stedenatlassen – met vooral een regionaal karakter – verschenen in het derde kwart van de 16de eeuw van de hand van Guillaume Guéroult (Lyon, 1552 en 1553), Antoine du Pinet (Lyon, 1564), Ferdinando Bertelli (Venetië, 1568) en Giulio Ballino (Venetië, 1569). De Civitates orbis terrarum wordt echter algemeen beschouwd als de eerste wereldomvattende stedenatlas.

Contacten met Ortelius?

Het Duitse Keulen was de thuishaven van de kanunnik Georg Braun of Bruin (1541-1622), die zonder twijfel verantwoordelijk was voor de samenstelling en de tekst van de Civitates. De voorbereidingen voor het stedenboek moeten die van het Theatrum orbis terrarum met twee of drie jaar hebben overlapt. Hogenberg was destijds bezig met beide werken en het is, gezien zijn nauwe relatie met Ortelius, moeilijk voor te stellen dat het idee voor de atlas afkomstig was van Braun alleen. Braun kan zowel Ortelius als Hogenberg ontmoet hebben tijdens zijn bezoek aan Antwerpen in 1566-1568 en het is mogelijk dat toen de plannen voor de Civitates orbis terrarum in gezamenlijk overleg gerijpt zijn. Contemporaine bronnen beschouwen beide atlassen trouwens als complementair.

Succesvolle verkoop

Aanvankelijk werd gedacht aan de publicatie van slechts één deel van het stedenboek. De goede verkoop bracht de samenstellers echter op het idee om een tweede deel uit te geven en beide delen vervolgens uit te breiden. In de inleiding op het tweede deel verzoekt Braun lezers die hun eigen stad missen een illustratie op te sturen, opdat deze als gravure in één van de twee delen kon worden opgenomen. Hij kreeg dermate veel materiaal dat een derde deel mogelijk werd. Een vierde en vijfde deel volgden later. Na het vijfde deel in circa 1588 liet de voltooiing van de Civitates orbis terrarum nog bijna dertig jaar op zich wachten: pas in 1617 verscheen het zesde en laatste deel. In aanvulling op de editie met Latijnse teksten werden edities met Duitse en Franse teksten gepubliceerd. Ongeacht de taaleditie bleven de opgenomen kaarten exact dezelfde.

De zes delen van de Civitates

De zes onderscheiden delen van de Civitates orbis terrarum beschikken over eigen titels:

  1. Civitates orbis terrarum, eerste uitgave 1572.
  2. De praecipuis, totius universi urbibus, liber secundus, eerste uitgave 1575.
  3. Urbium praecipuarum totius mundi, liber tertius, eerste uitgave 1581.
  4. Urbium praecipuarum totius mundi, liber quartus, eerste uitgave 1588.
  5. Urbium praecipuarum mundi theatrum quintum, eerste uitgave 1596.
  6. Theatri praecipuarum totius mundi urbium liber sextus, eerste uitgave 1617.

Ongewijzigde herdrukken

Het graveerwerk voor de Civitates orbis terrarum werd na de dood van Frans Hogenberg, in 1590, overgenomen door zijn zoon Abraham. Abraham drukte een groot aantal edities gedurende het laatste kwart van de 16de en de eerste helft van de 17de eeuw. Ook voegde hij in 1617 het zesde deel toe. Door de afwezigheid van een impressum of colofon zijn de verschillende edities nauwelijks van elkaar te onderscheiden.
Tot circa 1640 zijn van elk deel nieuwe edities verschenen, vrijwel altijd dus als ongewijzigde herdrukken. Alleen de edities van ná circa 1630 kenmerken zich door geactualiseerde toelichtende teksten. Die teksten gaan overigens met name over de stadshistorie, de belangrijkste gebouwen en de meest voorname personen die er geboren zijn of gewoond hebben.

Omvang

In totaal omvatten de zes delen van de Civitates orbis terrarum 363 bladen met stadsplattegronden, -gezichten en -profielen van steden in Europa, Afrika, Azië en Amerika (Mexico-Stad, Cuzco). Jeruzalem en Rome bestaan elk uit twee afzonderlijke bladen, terwijl Krakow en Antwerpen uit twee gemonteerde bladen bestaan. De 363 bladen bevatten bij elkaar 543 verschillende weergaves van 475 steden en vier andere voorstellingen.
Feitelijk is het werk meer topografisch dan cartografisch van aard: er is een grote variatie aan afbeeldingen van steden, echte plattegronden, perspectivische vogelvluchtgezichten, stadsaanzichten en allerlei vormen daartussen. Tevens treffen we landschapstaferelen van dorpen en kleine steden aan. De zes onderscheiden delen zijn qua aantallen illustraties echter tamelijk uniform. Vijf van de zes delen tellen immers 58 of 59 platen; het vijfde deel heeft er tien meer.

Willekeur?

Hoewel een vermoedelijk verband met Ortelius’ landatlas voor de hand ligt, blijkt de Civitates orbis terrarum veel minder systematisch opgebouwd. De opname van een stadsplattegrond was immers afhankelijk van de eventuele beschikbaarheid van een kaartbron én van de wens om het werk met zoveel mogelijk steden te vullen. Van een beredeneerde keuze door de samensteller was geen sprake. Op de eerste plaats blijkt dit uit de snelheid waarmee toevallig geleverde stadsplattegronden werden opgenomen. Ten tweede zijn de diverse landen ongelijk en soms willekeurig over de verschillende delen verspreid. Met name de Duitse en Nederlandse steden zijn oververtegenwoordigd. Het is wel zo dat elk deel een eigen eenheid vormt met de steden in een vaste geografische volgorde: Britse Eilanden, Spanje en Portugal, Frankrijk, Lage Landen, Duitsland, Scandinavië, Oost-Europa, Afrika, Oost- en West-Indië, Turkije.

Meerdere afbeeldingen van een stad

De gehanteerde werkwijze leidde er tevens toe dat sommige steden met meerdere profielen en plattegronden in de Civitates vertegenwoordigd zijn. Wanneer de samenstellers de beschikking kregen over een nieuwe afbeelding van een bepaalde stad, dan namen zij die op in een volgend deel. Het maakte niet uit of de stad al in een eerder deel was opgenomen en de vroegere kaart werd ook niet uit dat deel verwijderd. Ruim vijftig steden komen op die manier tweemaal in verschillende delen voor. En sommige steden – waaronder Rome en Jeruzalem – zelfs driemaal.

Turkenoorlogen

Zoals gezegd, kent de Civitates een oververtegenwoordiging van Nederlandse en Duitse steden, maar ook plaatsen in Midden-Italië en Andalusië komen veel voor. Daarentegen telt het werk relatief maar weinig plattegronden profielen van Britse en Franse steden. In het laatste, zesde deel worden verhoudingsgewijs veel steden in oostelijk Centraal-Europa geportretteerd. Dit heeft betrekking op de toenmalige Turkenoorlogen en vele afbeeldingen uit dit deel tonen vooral belegeringen van steden in plaats van gewone plattegronden. Al met al vormt de Civitates niet zozeer de weerslag van het 16de-eeuwse stedelijke Europa, als wel van de beschikbaarheid van stadsafbeeldingen in Keulen en Antwerpen rond 1600.

Kaartbronnen

Slechts een klein deel van de illustraties in de Civitates is door Hogenberg en Novellanus speciaal voor de atlas vervaardigd. Het overgrote deel van de ontwerpen is in primaire vorm ontleend aan twee bekende topografische tekenaars: Joris Hoefnagel (1542-1600; 63 stadsgezichten, waarvan 28 in deel V) en Jacob van Deventer (48 stadsplattegronden in de delen III-IV). Ander origineel bronmateriaal stamt van de hand van Ortelius, Sebastian Münster, Pieter Breughel, Hieronymous Schol, Lucas van Valkenborch, Joost Murer, Diederich Bangs en Heinrich von Rantzau (1526-1598), stadhouder van Sleeswijk-Holstein. Tot slot steunt een niet onaanzienlijk deel van de plattegronden op gedrukte kaarten, die voorkomen in eerder gepubliceerde werken waaronder Münsters Cosmographia (1550 en later), Guicciardini’s Descrittione di tutti i Paesi Bassi (1567 en later) en Speeds Theatre of the empire of Great Britaine (1611-1612).

Kostuumfiguren

Heel kenmerkend voor de plattegronden en profielen in de Civitates zijn de personages, die steeds op de voorgrond worden afgebeeld. Ze gaan gekleed in de gangbare kostuums van de desbetreffende stad. Op zich heel informatief, maar volgens Georg Braun had de opname van deze kostuumfiguren een andere functie. Zo schrijft hij in het voorwoord van 1572 vertaald het volgende:

‘Niemand hoeft er bang voor te zijn, dat ons werk enige schade aan de Christenen kan brengen, omdat ermee hun voornaamste steden door de vijand veroverd kunnen worden. Dat gevaar, wat in wezen niet gering is, hebben wij op deze manier voorkomen. Wij hebben de verschillende soorten kleding van alle naties en verschillende volkeren, zowel van de hoge als de lage stand, bij elke stad laten tekenen. En wel daarom omdat de bloeddorstige Turken, die geen gesneden of geschilderde afbeeldingen mogen zien, dit boek nooit zullen toelaten, hoe veel nut ze er ook van zouden kunnen hebben’!

Andersom zouden de door de Turken ingenomen steden met behulp van de plattegronden in de Civitates wél heroverd kunnen worden. Volgens Braun kom je daarmee immers te weten hoe de muren en verdedigingswerken van een bepaalde stad er uitzien en hoe je die stad het beste kunt innemen.

Lange levensduur

De stedenboeken van Braun en Hogenberg hadden van enige concurrentie niets te vrezen. Lange tijd vervaardigde geen enkele andere uitgever een eigen stedenboek. Pas in 1649 kwam Joan Blaeu met een stedenatlas op folioformaat. Waarschijnlijk na Abraham Hogenbergs dood in 1653 kreeg Johannes Janssonius de 363 koperplaten in handen. Hij gebruikte in 1657 vervolgens de platen voor zijn achtdelige stedenatlas van de wereld. Nog weer later zouden diverse koperplaten opnieuw gepubliceerd worden door uitgevers als Janssonius van Waesberge, De Wit, Mortier en Van der Aa. Het Amsterdamse uitgevershuis Covens & Mortier liet zelfs tot diep in de 18de eeuw nog, weliswaar vrij vage, afdrukken van de persen rollen!

Utrechtse exemplaar

Het hier gepresenteerde Utrechtse exemplaar (T fol 212 Rar) betreft een Latijnse editie uit de vroege 17de eeuw. De onderscheiden zes delen van dit exemplaar kunnen achtereenvolgens geïdentificeerd worden als de edities van 1612 (delen één en twee), 1606 (deel drie), 1617 (delen vier en vijf) en 1618 (deel zes), waarmee het waarschijnlijk is dat de set tussen 1618 en 1623 samengesteld is. In 1623 verschenen immers nieuwe edities van de delen één, twee en vijf. De zes delen zijn in twee forse banden gebonden. De fraaie inkleuring is contemporain en smaakvol ingetogen.

Utrecht

De stad Utrecht zit overigens in het eerste deel (plaat 19), waarbij de toelichting links en rechts onderaan vertaald onder meer de volgende feiten vermeldt: ‘Trajectum [Ultrajectum, Utrecht] is een beroemde oude bisschopsstad. Het wordt Trajectum genoemd omdat het aan de overzijde van de oude Rijn ligt. Men moet het niet verwarren met Trajectum Mosae [Maastricht]. De tekenaar is Jacob Meyer uit Vlaanderen. De Sint Maarten [de Dom] is zonder enige twijfel de beroemdste kerk. Sommigen beweren dat het bij het gewest Holland hoort, anderen dat het bij Friesland hoort.’ Maar we weten natuurlijk dat het nu gewoon tot de provincie Utrecht behoort!

Verder lezen

  • Handschriften en oude drukken van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek. Tentoonstellingscatalogus Centraal Museum (Utrecht, 1984), p. 360, nr. 204.
  • Kamptz, Ingrid von (1953), ‘Civitates Orbis Terrarum‘: Ein Städtebuch von Georg Braun und Franz Hogenberg (Köln, 1953).
  • Keuning, J. (1963), 'The ‘Civitates’ of Braun and Hogenberg', in: Imago mundi 17 (1963), p. 41-44.
  • Krogt, Peter van der (2010), Koeman’s Atlantes Neerlandici New Edition : Volume IV-1 : The Town Atlases Braun & Hogenberg […] (Houten, 2010): 35-261.
  • Meurer, Peter, Atlantes Colonienses: die Kölner Schule der Atlaskartographie, 1570-1610 (Bad Neustadt, 1988): 84-87.
  • Skelton, R.A., Introduction to the facsimile edition of ‘Civitates Orbis Terrarum’ 1572-1618, 3 vols. (Amsterdam, 1965).
  • Wiepen, E., ‘Bartholomäus Bruyn der Ältere und Georg Braun‘, in: Jahrbuch des Kölnischen Geschichtsverein 3 (1916): 95 ff.
1572-1618
Boek
MvE, januari 2018
Boekband 'Civitates orbis terrarum', band 1
Gegraveerde titelpagina, 'Civitates orbis terrarum', deel 1
Amsterdam, 'Civitates orbis terrarum', deel 1
Antwerpen, 'Civitates orbis terrarum', deel 1
Gegraveerde titelpagina, 'Civitates orbis terrarum', deel 2
Maastricht, 'Civitates orbis terrarum', deel 2
Gegraveerde titelpagina, 'Civitates orbis terrarum', deel 3
Toledo en Valladolid, 'Civitates orbis terrarum', deel 1
Parijs, 'Civitates orbis terrarum', deel 1
Gegraveerde titelpagina, 'Civitates orbis terrarum', deel 4

Georg Braun & Frans Hogenberg, Civitates orbis terrarum. Keulen, [Peter von Brachel, et al.], 1572-1618. Zes delen in twee banden. 2º (Utrecht UB, T fol 212 Rar)

  • Banden: Oorspronkelijke banden van perkament over kartonnen platten, met goudstempeling.
  • Herkomst: Uit de collectie van de Utrechtsche Provinciale Griffie. In 1881 overgedragen aan de Universiteitsbibliotheek.
  • In deel 3 ontbreekt kaart 44 (Zürich), in deel 4 kaart 32 (Segeberg), in deel 5 de kaarten 12 (Bornos/Zahara), 37 (Thietmarsia) en 65 (Napoli), en in deel 6 kaart 28 (Znojmo).